ECLI:NL:CBB:2026:361
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Uitspraak
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/79
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Aan de slachterij is een last onder dwangsom (dwangsombesluit) opgelegd waaraan geen looptijd was verbonden. Vlak voor de zitting heeft de minister de werking van het dwangsombesluit voor de toekomst opgeheven, omdat er inmiddels 1,5 jaar zijn verstreken, de slachterij maatregelen heeft genomen en er sindsdien geen overtredingen zijn vastgesteld. De slachterij heeft vanwege de opheffing van het dwangsombesluit het beroep ingetrokken met het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht (artikel 8:75a Awb). Het College stelt vast dat met de opheffing van het dwangsombesluit aan dit besluit de werking voor de toekomst is ontnomen. Daarmee is de minister uit eigen beweging deels tegemoetgekomen aan de vervoerder. Dat de opheffing is ingegeven doordat er geruime tijd is verstreken na het dwangsombesluit en de slachterij zich in die tijd aan de last heeft gehouden, maakt dit niet anders. Ook is hier niet doorslaggevend of de tegemoetkoming (kennelijk) is gebaseerd op andere gronden dan de aangevoerde beroepsgronden. Omdat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van een proceskostenveroordeling, zal het College de minister veroordelen in de door de vervoerder gemaakte proceskosten.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.