ECLI:NL:CRVB:2026:985
Centrale Raad van Beroep
- Uitspraak
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/860 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb van de forfaitaire proceskostenvergoeding kan worden afgeweken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat betrokkene door de werkwijze en besluitvorming van het Uwv gedwongen werd tot het inroepen van rechtshulp waar een meer dan normale tijdsbesteding mee was gemoeid. Het Uwv heeft het hoger beroep ingetrokken en op 8 januari 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het Uwv heeft besloten de vrijwillige verzekering van betrokkene voor de WW en de Wet WIA met terugwerkende kracht tot 1 maart 2020 te beëindigen. Het feit dat het Uwv de vrijwillige verzekeringen van betrokkene bij de primaire besluiten van 6 en 8 juni 2023 ten onrechte heeft beëindigd per 2 juni 2023 in plaats van per 1 maart 2020, en dus deze primaire besluiten en de beslissing op bezwaar van 20 december 2023 ten onrechte zijn genomen, levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv genoemde besluiten tegen beter weten in heeft genomen en dat betrokkene door die besluiten gedwongen was tot het inroepen van rechtshulp waar een uitzonderlijke tijdsbesteding mee gemoeid was. Ook is niet gebleken van een zodanig grote en juridisch complexe zaak dat op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb een hoger bedrag moet worden toegekend.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.