ECLI:NL:GHAMS:2026:1996
Gerechtshof Amsterdam
- Uitspraak
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.363.607/02
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Wraking
Inhoudsindicatie
kopje volgt.
Uitspraak
1 De procedure
1.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch met zaaknummers SHE/2025/39 en SHE/2025/55.
1.2.
De hoofdzaak is, voor zover het de ontvankelijkheid van het hoger beroep betreft, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 maart 2026, op welke zitting de verzoeker is verschenen en het woord heeft gevoerd. Op deze zitting is de behandeling gesloten en is 2 juni 2026 als datum van uitspraak medegedeeld.
1.3.
Op 1 juni 2026 heeft verzoeker het hof per e-mailbericht een ‘akte van ongenoegen’ gestuurd, waarin hij – kort weergegeven – zijn bezwaren heeft geuit tegen de beslissing van het hof om op de zitting van 18 maart 2026 enkel de ontvankelijkheid van het hoger beroep te behandelen en waarin hij heeft verzocht om dit stuk in het dossier te voegen.
1.4.
Op 2 juni 2026 heeft het hof de beslissing in de hoofdzaak uitgesproken op de openbare terechtzitting. Deze beslissing is op die dag om 11.57 uur per beveiligd e-mailbericht naar de verzoeker gestuurd. In deze beslissing is het hoger beroep van de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.
Op 2 juni 2026 om 13.38 uur heeft een griffiemedewerker per e-mailbericht medegedeeld dat de ‘akte van ongenoegen’ van de verzoeker van 1 juni 2026 niet aan het dossier zal worden toegevoegd, omdat het niet tijdig is ingestuurd.
1.6.
Op 2 juni 2026 om 14.39 uur heeft de verzoeker per e-mailbericht medegedeeld het hof te wraken [de wrakingskamer begrijpt: de raadsheren mrs. O.J. van Leeuwen, C.H.N. van Altena en T.W. van Grafhorst] om de redenen vermeld in de akte [de wrakingskamer begrijpt: de akte van 1 juni 2026].
1.7.
Op 9 juni 2026 heeft een griffiemedewerker van de wrakingskamer per e-mailbericht aan de verzoeker te kennen gegeven dat de wraking na de einduitspraak is gedaan en de verzoeker daarom niet in het wrakingsverzoek kan worden ontvangen.
1.8.
Op 23 juni 2026 is een brief ingekomen van de verzoeker, waarin hij heeft betoogd dat hem op de terechtzitting van 18 maart 2026 als uitspraakdatum 3 juni 2026 is medegedeeld – in tegenstelling tot hetgeen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2026 is vermeld – en dat het proces-verbaal dus onjuist is, dat hij het wrakingsverzoek doorzet en dat hij verzoekt uitgenodigd te worden voor een zitting van de wrakingskamer.
1.9.
Op 26 juni 2026 heeft de griffie van de wrakingskamer per e-mailbericht aan de verzoeker te kennen gegeven dat de wrakingskamer binnen twee weken formeel zal beslissen op zijn verzoeken.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.