ECLI:NL:GHARL:2026:4499
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Uitspraak
- 7 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/11 en 25/12
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Verkoop onroerende zaak aan gelieerde partijen. Winstuitdeling?
Uitspraak
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan [naam1] (hierna: erflater) is met dagtekening 13 november 2021 over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 384.349. Bij beschikkingen is € 12.155 belastingrente berekend en is een vergrijpboete van € 49.972 opgelegd.
1.2.
Aan belanghebbenden is met dagtekening 18 december 2021 over het jaar 2016 een eerste navorderingsaanslag (H.67.01) in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 183.099 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.856. Bij beschikking is € 7.864 belastingrente berekend.
1.3.
Aan belanghebbenden is met dagtekening 18 december 2021 over het jaar 2016 een tweede navorderingsaanslag (H.67.02) in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 384.349 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.856. Bij beschikking is € 8.660 belastingrente berekend.
1.4.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 december 2022 de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen over de jaren 2016 en 2017 ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen tegen de navorderingsaanslagen over het jaar 2016 ongegrond verklaard en het beroep tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2017 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot het jaar 2017 vernietigd en de navorderingsaanslag over het jaar 2017 en bijbehorende beschikking belastingrente vernietigd. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.500 en een proceskostenvergoeding van in totaal € 3.216,75. Verder heeft de Rechtbank bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbenden moet vergoeden.
1.6.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.7.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken overgelegd.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij zijn verschenen mr. H.T.G. de Jong, als de gemachtigde van belanghebbenden, bijgestaan door [naam2] , alsmede [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] . Met instemming van partijen zijn de zaken gezamenlijk behandeld met de zaak met het zaaknummer BK-ARN 24/2037. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.