ECLI:NL:GHARL:2026:5142
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Uitspraak
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.358.619
- Rechtsgebied
- Civiel recht; Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie: gewijzigde vaststelling bijdragen van de man in de kosten van de kinderen.
Uitspraak
1 Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1.
Voor het verloop van het geding tot 10 maart 2026 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2.
Het verdere verloop blijkt uit:
- de stukken van de vrouw ingediend op 18 maart 2026
- de stukken van de man ingediend op 24 maart 2026
- de stukken van de vrouw ingediend op 24 maart 2026
- de stukken van de man ingediend op 7 april 2026
- de stukken van de vrouw ingediend op 14 april 2026
- de stukken van de vrouw ingediend op 15 april 2026.
1.3.
Het hof heeft de op 13 april 2026 ingediende stukken van de man geweigerd omdat deze stukken zonder toestemming van het hof buiten de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend.
2. De overwegingen van de beslissing
2.1.
Het hof zal eerst de behoefte van [kind1] en [kind2] bespreken. Daarna volgt de draagkracht van de man en de vrouw over de volgende perioden:
van 22 maart 2022 tot en met 31 december 2022
van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023
van 1 januari 2024 tot en met 12 augustus 2024
van 12 augustus 2024 tot en met 31 december 2024
vanaf 1 januari 2025
2.2.
Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gevoegde draagkrachtberekeningen, die onderdeel uitmaken van deze beschikking. Het hof bespreekt hierna alleen de onderwerpen waarover de man en de vrouw het oneens zijn.
Behoefte [kind1] en [kind2]
2.3.
Het hof stelt de behoefte van [kind1] en [kind2] net als de rechtbank vast op € 504,- per kind per maand in 2018. Het hof ziet onvoldoende reden die behoefte te verhogen zoals de vrouw heeft verzocht: de stelling dat er privé-onttrekkingen uit de onderneming zijn geweest zonder de hoogte van dat bedrag te specificeren is daarvoor onvoldoende. De behoefte van
€ 504,- per maand wordt elk jaar vermeerderd met de wettelijke indexering.
2.4.
[kind1] is op 12 augustus 2024 18 jaar geworden. In september 2024 is zij met een vervolgopleiding gestart. Volgens de vrouw volgt [kind1] een HBO-opleiding en is het Wsf normbedrag voor een uitwonende student van toepassing. Volgens de man volgt [kind1] een MBO-opleiding en woont zij bij de vrouw. Aangezien de vrouw heeft nagelaten met stukken. zoals een bericht van DUO, te onderbouwen dat [kind1] een uitwonende HBO-studente is, gaat het hof uit van de (lagere) Wsf normbedragen voor een MBO-opleiding van een thuiswonende student. Dat is
in 2024 (€ 612,65 min de basisbeurs van € 99,94) = € 512,71 per maand
in 2025 (€ 636,18 min € 103,78) = € 532,40 per maand
in 2026 (€ 657,49 min € 107,26) = € 550,23 per maand.
Inkomsten uit arbeid man
2.5.
Het hof houdt bij de man in 2022 rekening met een belastbaar jaarinkomen uit de onderneming van € 40.000,-. Hoewel het jaarloon van de man in 2022 volgens de aangifte en aanslag IB 2022 € 12.095,- was, heeft de man volgens een mailbericht van zijn boekhouder van 11 juli 2025 in 2022 een loon genoten van € 40.000,- bruto per jaar. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 10 maart 2026 de man in de gelegenheid gesteld met jaarstukken van de onderneming uit 2022 te ontkrachten dat zijn inkomen uit onderneming in 2022 niet dit door de boekhouder genoemde bedrag was. Deze stukken heeft de man niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de door de vrouw overgelegde verklaring van de boekhouder over zijn inkomen in 2022. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw heeft verzocht, bij dit inkomen nog € 10.000,- netto per jaar aan privé-onttrekkingen op te tellen, omdat dit heeft geleid tot een rekening-courantschuld in de onderneming die de man en de vrouw samen zullen moeten aflossen.
2.6.
In 2023 houdt het hof volgens de jaaropgave 2023 rekening met een belastbaar jaarinkomen van de man van € 41.721,-. Het hof vindt het niet aannemelijk dat de man vanaf 2023 bovenop zijn inkomsten uit arbeid uit een fulltime dienstverband nog inkomsten uit de onderneming van partijen had, aangezien in de verklaring van de boekhouder van
11 juli 2025 staat dat het resultaat van de onderneming van partijen in de afgelopen jaren nihil was. Het hof heeft geen reden hieraan te twijfelen.
2.7.
In 2024 houdt het hof, uitgaande van de jaaropgave 2024, rekening met een belastbaar loon van € 49.636,- en vanaf 1 januari 2025 met € 52.744,- op grond van de jaaropgave 2025. Volgens de loonstroken van de man van januari en februari 2026 is het loon van de man in 2026 nagenoeg ongewijzigd gebleven, zodat een berekening voor 2026 niet nodig is. Voor de vrouw geldt hetzelfde.
Woonlasten man 2022 en 2023
2.8.
Omdat in de jaren 2022 en 2023 een tekort aan draagkracht is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, houdt het hof in deze jaren, zoals de Expertgroep alimentatienormen aanbeveelt, rekening met de werkelijke woonlasten van de man. De man heeft niet weersproken dat hij in deze jaren geen woonlasten had omdat hij bij familie woonde. Daarom stelt het hof in de berekening de woonlasten van de man in 2022 en 2023 op nul.
Zorgkorting
2.9.
Het hof houdt net als de rechtbank en zoals de Expertgroep alimentatienormen aanbeveelt rekening met een zorgkorting van 5% als er contact van minder dan een dag per week is.
Inkomsten uit arbeid vrouw
2.10.
Het hof houdt rekening met de inkomsten uit arbeid van de vrouw volgens de door haar overgelegde jaaropgaven waarover de man geen opmerkingen heeft gemaakt.
.
2.11.
Uit de berekening volgt dat de man aan de vrouw aan kinderalimentatie dient te betalen:
van 22 maart 2022 tot en met 31 december 2022 € 360,- per kind per maand
van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 € 355,- per kind per maand
van 1 januari 2024 tot en met 12 augustus 2024 € 268,- per kind per maand
van 12 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 € 268- per maand voor [kind2]
vanaf 1 januari 2025 € 347,- per maand voor [kind2] .
2.12.
De man dient aan [kind1] als bijdrage voor haar levensonderhoud en studie te betalen:
van 12 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 € 226,- per maand
vanaf 1 januari 2025 € 284,- per maand.
Terugbetaling
2.13.
Aangezien de man draagkracht heeft voor betaling van de vastgestelde bijdragen, en er geen terugbetalingsplicht ontstaat voor de vrouw, hanteert het hof 22 maart 2022 als ingangsdatum voor de gewijzigde alimentatieplicht van de man.
3. De slotsom
3.1.
Op grond van wat hiervoor is overwogen, slagen de grieven voor een deel. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover dit de alimentatie voor [kind1] en [kind2] betreft, vernietigen en beslissen als volgt.
3.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat de man en de vrouw een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure gaat over hun kinderen. Compensatie betekent dat ieder de eigen kosten betaalt.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.