1 De procedure bij de rechtbank
1.1.
Het hof verwijst voor de procedure bij de rechtbank naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie [woonplaats1] , van 30 mei 2025 en 17 juni 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
1.2.
Bij de beschikking van 17 juni 2026 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
- bepaald dat de vader en de moeder voortaan gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het gezag over:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2014; en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2019;
voor zover hun bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
- bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanaf de start van de zomervakantie in 2026 hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben;
- de volgende voorlopige zorgregeling bepaald:
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in de zomervakantie van 2026 de eerste vier weken bij de moeder en de laatste twee weken bij de vader, waarbij de kinderen met ingang van vrijdag 31 juli 2026 12.00 uur tot vrijdag 14 augustus 2026 12.00 uur bij de vader verblijven;
- bepaald dat aansluitend de navolgende reguliere zorgregeling geldt:
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven doordeweeks bij de vader;
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven volgens een driewekelijkse cyclus telkens twee weekenden van vrijdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur bij de moeder en vervolgens één weekend bij de vader, waarbij de ouders ieder de helft van het halen en brengen van de kinderen voor hun rekening nemen zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.10 van de bestreden beschikking;
- ter vervanging van de toestemming van de moeder aan de vader toestemming verleend om met ingang van het schooljaar 2026/2027 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in te schrijven op de basisschool [naam] in [plaats1] .
De rechtbank heeft deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. De procedure bij het hof in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met bijlage(n), ingekomen op 21 juli 2026;
- het verweerschrift tegen het schorsingsverzoek, tevens houdende een (zo merkt het hof het aan) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding in hoger beroep, met bijlagen, ingekomen op 6 augustus 2026;
- een brief van de raad van 6 augustus 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- de stukken van de moeder, ingediend op 7, 10 en 11 augustus 2026, met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beslissingen heeft op 12 augustus 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten (mr. Van Kerkhof via een beeldbelverbinding).
2.3.
Het hof heeft, na een schorsing van de mondelinge behandeling, op grond van artikel 29a lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan.