ECLI:NL:GHARL:2026:5440
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Uitspraak
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/1156 tot en met 24/1161
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Compromis
Uitspraak
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2013, 2014 en 2015 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen is bij beschikkingen belastingrente berekend en zijn bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV vergrijpboeten opgelegd evenals bij de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2015. Tevens zijn in de IB/PVV, al dan niet impliciet, voor de jaren 2013 en 2014 verliesverrekeningsbeschikkingen genomen en voor de jaren 2013 en 2015 verliesvaststellingsbeschikkingen herzien.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2015 en tegen de navorderingsaanslagen in de Zvw over de jaren 2014 en 2015, alsmede die tegen de bijbehorende beschikkingen belastingrente en boetebeschikkingen, ongegrond verklaard. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2013 niet-ontvankelijk verklaard, belanghebbendes bezwaarschrift tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen. De Inspecteur heeft tot slot de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 2013 en 2014 (en de bijbehorende beschikkingen belastingrente en boetebeschikkingen) gegrond verklaard, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2013 verminderd, de bijbehorende beschikking belastingrente en boetebeschikking dienovereenkomstig verminderd, en het verzamelinkomen over het jaar 2014 verlaagd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep inzake de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2014 ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de overige beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de toekenning van de proceskostenvergoeding (2013 en 2014), vernietigd, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2013 (en de bijbehorende beschikking belastingrente) vernietigd, de verliesverrekeningsbeschikking in de IB/PVV voor het jaar 2013 vernietigd, het verlies uit werk en woning over het jaar 2013 vastgesteld op € 5.226, de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2013 (en de bijbehorende beschikking belastingrente) vernietigd, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2014 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 102.536, de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, over het jaar 2015 de navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de Zvw verminderd naar respectievelijk een belastbaar inkomen uit werk en woning en een bijdrage-inkomen van € 6.489, de bijbehorende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de boetebeschikkingen vernietigd, bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 100 moet vergoeden, en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten die belanghebbende heeft gemaakt tot een bedrag van € 2.308,56.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
1.5.
Belanghebbende heeft voor de zitting een 10-dagenstuk ingestuurd en de Inspecteur een pleitnota.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Onderhavige zaken zijn daarbij met toestemming van partijen gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en drs. D. van Marle, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] , [naam3] en [naam4] . Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de Inspecteur in de gelegenheid te stellen bestanden, waarover beide partijen beschikken, aan het Hof over te leggen en om partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar in overleg te treden over een eventuele compromissoire oplossing. Partijen hebben er ter zitting mee ingestemd dat een nadere zitting in beginsel achterwege zal blijven, tenzij het Hof anders beslist.
1.7.
De Inspecteur heeft, met akkoordverklaring door belanghebbende, bij brief van 6 juli 2026 aan het Hof bericht dat partijen tot een compromis zijn gekomen en daarin vermeld wat partijen zijn overeengekomen.
1.8.
Het Hof heeft daarop het onderzoek gesloten.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.