ECLI:NL:GHDHA:2026:2420
Gerechtshof Den Haag
- Uitspraak
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- BK-24/58 tot en met BK-24/60 en BK-24/85 tot en met BK-24/87
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Belanghebbende exploiteert een schip waarmee plantaardige olie (spijsolie) wordt vervoerd. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water. Het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in sloptanks. De schipper ontdoet zich van de slops door deze op te laten halen door een vervoerder, die de slops weer doorverkoopt aan een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog genoeg is, krijgt belanghebbende ervoor betaald. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant ontvangen. Omdat belanghebbende de gestelde contante betalingen niet heeft verwerkt in haar administratie en niet heeft aangegeven in haar aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2011, 2012 en 2013, heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen, rentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd. De Inspecteur baseert zijn stelling dat belanghebbende contante betalingen heeft ontvangen op inkoopfacturen en andere gegevens die zijn verkregen bij een (strafrechtelijk) onderzoek bij de vervoerder. Het Hof acht de ontvangst van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen niet aannemelijk, onder meer omdat de vervoerder heeft gesjoemeld met percentages en cijfers waaruit blijkt hoeveel olie in de slops zit, alsmede percentages op facturen heeft bijgesteld om zijn administratie kloppend te maken. Uit de omstandigheid dat de door de Inspecteur gestelde contante betalingen zijn terug te vinden in kalenders, kasboeken en notities van de vervoerder, kan niet meer worden afgeleid dan dat de vervoerder zijn in- en verkoop sluitend op elkaar heeft afgestemd. Voor zover aanleiding zou bestaan voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat belanghebbende contante betalingen zou hebben ontvangen, geldt dat dit vermoeden door belanghebbende is ontzenuwd. De navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen worden vernietigd; de boetebeschikkingen waren in eerste aanleg al vernietigd. Belanghebbende heeft voorts – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Wat betreft de vernietigde vergrijpboetes wordt compensatie verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb (vgl. onder meer HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1). De vergoeding van immateriële schade voor overschrijding van de redelijke termijn vindt plaats voor elke vernietigde boete afzonderlijk (zie HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279, r.o. 5.2.3).
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.