1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
In de zaken die hier aan de orde zijn, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 9 december 2025 twee tussenbeschikkingen gegeven. De eerste tussenbeschikking bevat de inhoudelijke beoordeling. Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot nu toe verwijst het hof Den Haag (hierna: het hof) naar deze tussenbeschikking.
Bij de tweede tussenbeschikking heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de zaken in de stand waarin deze zich bevinden doorverwezen naar het hof voor verdere behandeling. Net als het hof ’s-Hertogenbosch zal het hof beide zaken, gelet op de samenhang, tegelijkertijd behandelen en beslissen in één beschikking.
1.2
In de inhoudelijke tussenbeschikking heeft het hof ’s-Hertogenbosch de gecertificeerde instelling opdracht gegeven het eerder opgestelde veiligheidsplan te actualiseren, een herstelgesprek tussen de vader en de kinderen voor te bereiden en (alleen als het [hulpverleningstraject] naar tevredenheid is afgerond) te voeren en, ten slotte, de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader nader te onderzoeken. Omdat er in de tussentijd wel contact tussen de vader en de kinderen moest zijn, op een wijze waarop de veiligheid van de kinderen volledig zou zijn gewaarborgd, heeft het hof een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de vader en de kinderen contact met elkaar hebben in het kader van een traject van begeleide omgang (het [hulpverleningstraject] ). Omdat de moeder de zorgregeling in het verleden meerdere keren niet is nagekomen, is aan haar medewerking aan dit traject een dwangsom verbonden.
1.3
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn beschikking benadrukt dat het nadere onderzoek naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader moet worden gedaan vanuit zijn oordeel dat er sprake is van meerdere (objectieve) signalen van onveiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader. Reden daarvoor was dat de gecertificeerde instelling de veiligheid van de kinderen bij de vader op dat moment al voldoende gewaarborgd vond. Aan de gecertificeerde instelling is verzocht vóór 9 april 2026 een nadere verslaglegging in het geding te brengen over de wijze waarop het nadere onderzoek is verricht, met daarbij het geactualiseerde veiligheidsplan en het eindrapport van het [hulpverleningstraject] .
1.4
Het hof heeft hierna in beide zaken de volgende stukken ontvangen:
van de gecertificeerde instelling:
een journaalbericht van 7 april 2026, ingekomen op 10 april 2026, met als bijlagen het geactualiseerde veiligheidsplan en het verslag van de gecertificeerde instelling met bijlagen;
een journaalbericht van 9 april 2026, ingekomen op diezelfde datum, met als bijlage de tussentijdse rapportage van het verloop van het [hulpverleningstraject] ;
een journaalbericht van 2 juli 2026, ingekomen op diezelfde datum, met wijziging van het verzoek en met bijlagen waaronder de eindrapportage van het [hulpverleningstraject] ;
van de moeder:
een journaalbericht van 30 april 2026, ingekomen op 1 mei 2026, met bijlagen;
een journaalbericht van 6 juli 2026, ingekomen op diezelfde datum, met bijlagen;
van de vader:
- een journaalbericht van 3 juli 2026, ingekomen op diezelfde datum, met wijziging van het verzoek en met bijlage.
1.5
Nadat [minderjarige 1] eerder al een brief aan het hof had gestuurd via de kinder- en jongerenrechtswinkel, heeft de voorzitter van het hof op 10 juli 2026 met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is een samenvatting gegeven van de brief van [minderjarige 1] en van dit gesprek. Alle betrokkenen hebben hierop kunnen reageren.
1.6
De mondelinge behandeling in beide zaken is voortgezet op 16 juli 2026. Verschenen zijn:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] , bijgestaan door [jurist GI] , jurist;
de raad, locatie [locatie 2] , vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overhandigd en voorgedragen.
1.7
Alle partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd dat het hof alles wat partijen naar voren hebben gebracht en aan stukken hebben overgelegd in de ene zaak, ook als naar voren gebracht en overgelegd in de andere zaak mogen beschouwen. Gemakshalve zal het hof hierna ook wel naar beide zaken verwijzen met ‘de zaak’.