ECLI:NL:GHSHE:2026:1855
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Uitspraak
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/778 en 25/779
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslagen omzetbelasting. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat hij recht heeft op aftrek van omzetbelasting. De facturen bevatten gebreken en belanghebbende kan ook geen ander toereikend bewijs verschaffen dat duidelijkheid geeft over de aan haar verrichte diensten. Verzuimboete 67c AWR. De verzuimboete is terecht opgelegd. Vergrijpboetes 67f AWR. De inspecteur heeft overtuigend bewezen dat sprake is van grove schuld van belanghebbende.
Uitspraak
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.1.
De inspecteur heeft belanghebbende over de tijdvakken in de periode van 15 februari 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 9.534 opgelegd (de naheffingsaanslag OB 2019). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag 2019 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete van € 2.383 opgelegd en een verzuimboete van € 953 en € 1.092 belastingrente in rekening gebracht.
1.1.2.
De inspecteur heeft belanghebbende over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 9.437 opgelegd (de naheffingsaanslag OB 2020). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag 2020 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete van € 3.302 opgelegd en € 829 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar tegen voormelde naheffingsaanslagen en beschikkingen afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De beslissing van de rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond voor zover ze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de boetebeschikkingen;
- vermindert de boete bij de naheffingsaanslag 2019 tot € 1.405;
- vermindert de boete bij de naheffingsaanslag 2020 tot € 2.241;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 730 aan belanghebbende moet vergoeden;”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 24 juli 2025, 25 juli 2025, 5 augustus 2025, 6 maart 2026 en 8 maart 2026 nadere stukken ingediend. De Inspecteur heeft op 13 januari 2026 en 20 maart 2026 nadere stukken ingediend.
1.5.1.
De heer [naam 1] heeft in het nader stuk van 6 maart 2026 vermeld dat hij geen vertegenwoordiger meer is van belanghebbende en dat zij een nieuwe vertegenwoordiger heeft. Desgevraagd heeft de heer [naam 1] bij bericht van 8 maart 2026 een uittreksel van de Kamer van Koophandel toegestuurd waarin is vermeld dat de heer [naam 2] per 18 september 2025 enig bestuurder en enig aandeelhouder is van belanghebbende.
1.5.2.
Belanghebbende is vervolgens (opnieuw) bij aangetekend verzonden brief aan het adres [adres 1] , [postcode] [plaats 1] van 10 maart 2026 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 25 maart 2026 om 10:15 uur te Den Bosch. Uit informatie van Track & Trace van PostNL blijkt dat deze uitnodiging op 12 maart 2026 is klaargelegd op een PostNL-punt en dat deze tot uiterlijk 26 maart 2026 kon worden opgehaald.
1.6.1.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende is niet verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaken zijn ter zitting ook de zaken met de nummers SHE 25/781 en SHE 25/784 behandeld. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de onderhavige zaken en andersom, tenzij het specifiek op een van zaken betrekking heeft.
1.6.2.
Ter zitting is toegelicht dat het hoger beroep van belanghebbende wordt behandeld onder het voorbehoud dat vastgesteld wordt dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting. Dit kon pas worden vastgesteld nadat de ophaaltermijn was verlopen.
1.6.3.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.1.
De uitnodiging voor de zitting is niet afgehaald door belanghebbende en is op 30 maart 2026 retour gekomen bij het hof.
1.7.2.
Omdat twijfels bestonden over de juistheid van het adres van belanghebbende in het uittreksel van de Kamer van Koophandel, heeft de griffier vervolgens via de Basisregistratie Personen (BRP) geprobeerd het adres van de nieuwe bestuurder van belanghebbende, de heer [naam 2] , te achterhalen. Uit het BRP bleek dat de woon- en verblijfplaats van de heer [naam 2] onbekend is.
1.7.3.
De griffier heeft daarna in de Staatscourant van 1 mei 2026, nr. 16520, een openbare uitnodiging geplaatst, gericht aan (de nieuwe bestuurder van) belanghebbende voor een digitale zitting op 18 juni 2026 om 10:30 uur. Daarbij was ook het telefoonnummer van de griffie van het team Belastingrecht van het hof vermeld waarmee de heer [naam 2] contact kon opnemen om inloggegevens te krijgen voor de zitting.
1.7.4.
Op 21 mei 2026 heeft het hof een hogerberoepschrift van belanghebbende ontvangen gericht tegen uitspraken van de rechtbank met nummers BRE 25/2068 en BRE 25/2069. Op dat hogerberoepschrift heeft belanghebbende het adres [adres 1] , [postcode] [plaats 1] vermeld als het adres van belanghebbende.
1.7.5.
De griffier heeft belanghebbende daarom nogmaals bij aangetekend verzonden brief van 28 mei 2026 en gericht aan voormeld adres (1.7.4) uitgenodigd voor de digitale zitting op 18 juni 2026 om 10:30 uur. De brief is ook verzonden met de gewone post naar het genoemde adres.
1.7.6.
Uit informatie van Track & Trace van PostNL blijkt dat deze uitnodiging op 30 maart 2026 is klaargelegd op een PostNL-punt. Daaruit volgt ook dat de uitnodiging op 15 juni 2026 nog steeds niet was opgehaald en retour is gestuurd. De aangetekend verzonden uitnodiging is op 23 juni 2026 retour gekomen bij het hof. Het hof is van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze voor de zitting van 18 juni 2026 is uitgenodigd.
1.7.7.
De digitale zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch tijdens die zitting is het onderzoek heropend. Belanghebbende is niet verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen, [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek (weer) gesloten.
1.8.
Van zowel de zitting op 25 maart 2026 als de zitting op 18 juni 2026 is een proces-verbaal opgemaakt, die gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking worden gesteld.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.