ECLI:NL:GHSHE:2026:1910
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Uitspraak
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- 20-003237-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (feit 1) en handelen in strijd met art. 26, eerste lid, WWM, terwijl het feit is begaan m.b.t. een wapen van categorie II of III (feit 2). Het hof ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging ter zake van feit 1. Het hof is weliswaar van oordeel dat de verdachte op 12 oktober 2021 op een ander heeft geschoten, maar kan niet vaststellen wie van beiden als eerste is gaan schieten. Het hof gaat uit van de lezing van de verdachte en acht voldoende aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, zodat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Ter zake van feit 2 wordt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien weken opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.