Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:HR:2026:1143

Hoge Raad

Uitspraak
7 juli 2026
Zaaknummer
24/04604
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie

Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Uitreizigster naar strijdgebied in Syrië. Vrijspraak t.z.v. medeplegen deelneming aan terroristische organisatie, art. 140a.1 Sr. Deelneming. Kon hof oordelen dat verdachte niet heeft ‘deelgenomen’ aan organisatie a.b.i. art. 140a Sr? Voor ‘deelneming’ aan organisatie a.b.i. art. 140 en 140a Sr is vereist dat (i) betrokkene behoort tot samenwerkingsverband, (ii) waarbinnen gedragingen plaatsvinden die strekken tot of rechtstreeks verband houden met verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk, en (iii) betrokkene een aandeel heeft in deze gedragingen, dan wel deze gedragingen ondersteunt. Van ‘ondersteunen’ is sprake als betrokkene met zijn handelen die onder (ii) bedoelde gedragingen bevordert of makkelijker maakt. Dit handelen van betrokkene moet niet in te ver verwijderd verband staan tot verwezenlijking van bedoeld oogmerk. Of daarvan sprake is vergt beoordeling van concreet geval. Hof heeft vastgesteld dat verdachte samen met vriendin via Turkije naar Syrië is afgereisd, terwijl zij wist dat daar burgeroorlog gaande was. Zij heeft verklaard dat zij graag mensen wilde helpen. Vier dagen daarvoor was zij met de op dat moment al in Syrië verblijvende broer van die vriendin naar islamitisch recht getrouwd. Verdachte en haar echtgenoot hebben 2 kinderen gekregen en verbleven in Syrië en Irak in gebieden die onder heerschappij stonden van terroristische organisatie. Echtgenoot van verdachte was strijder voor die terroristische organisatie. Verdachte wist dat t.t.v. haar vertrek naar Syrië nog niet, maar wel ‘op enig moment’. Verdachte heeft tijdens haar verblijf in Syrië en Irak met haar echtgenoot een gemeenschappelijke huishouding gevoerd, waarbij zij thuis heeft schoongemaakt, gekookt en voor kinderen zorgde. Volgens hof is niet gebleken dat verdachte wervende jihadistische uitingen heeft verspreid en ook niet dat zij directe bijdrage aan verwezenlijking van oogmerk van organisatie heeft geleverd. Hof heeft niet bewezenverklaard dat verdachte heeft ‘deelgenomen’ aan organisatie a.b.i. art. 140a Sr en heeft verdachte vrijgesproken. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat gelet op hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, het verrichten van huishoudelijk werk niet voldoet aan criterium van het hebben van aandeel in of bieden van ondersteuning aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met verwezenlijking van oogmerk van terroristische organisatie, omdat handelen van verdachte “te ver verwijderd is van verwezenlijking van terroristische oogmerk van organisatie”. Daarbij heeft hof geoordeeld dat dit niet anders wordt door betalingen en goederen die verdachte i.v.m. overlijden van haar echtgenoot van organisatie heeft ontvangen. Gelet op wat hiervoor is overwogen geeft ‘s hofs oordeel niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04981 en 25/00879.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.