ECLI:NL:HR:2026:1153
Hoge Raad
- Uitspraak
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- 24/02564 bis
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ; eindarrest na tussenarrest HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:731
Uitspraak
1 De loop van het geding in cassatie tot dusver
1.1
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:731 (hierna: het arrest van 1 mei 2026), wordt verwezen naar dat arrest.
1.2
Bij het arrest van 1 mei 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof zal worden vernietigd, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten. De Hoge Raad heeft in dat arrest verder beslist dat de uitspraak van de Rechtbank zal worden vernietigd, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten van het geding voor de Rechtbank.
1.3
De Hoge Raad heeft in dat arrest ook beslist dat de heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn (hierna: de heffingsambtenaar) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
1.4
De Hoge Raad heeft bij het arrest van 1 mei 2026 bovendien beslist dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
2. Nadere beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de beroepsprocedure en de hogerberoepsprocedure
Gelet op wat hiervoor in 1.3 is overwogen, dient de heffingsambtenaar alsnog te worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij zal worden uitgegaan van (i) twee proceshandelingen in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee van twee punten, en één proceshandeling in hoger beroep (hogerberoepschrift) en daarmee van één punt, (ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in beroep en hoger beroep, en (iii) een puntwaarde van € 934. Dat komt neer op een vergoeding van € 1.868 voor het geding voor de Rechtbank en van € 934 voor het geding voor het Hof.
3. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
3.1
Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
3.2
Belanghebbende, vertegenwoordigd door L. Driessen, heeft bij bericht van 12 mei 2026 aangegeven dat niet aan de hiervoor in 3.1 bedoelde bewijslast kan worden voldaan. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
3.3
Bij die berekening gaat de Hoge Raad uit van (i) één proceshandeling (beroepschrift in cassatie) en daarmee dus van 2 punten, (ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie, (iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, en (iv) vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet waardering onroerende zaken, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd. Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 187.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.