ECLI:NL:HR:2026:1185
Hoge Raad
- Uitspraak
- 7 juli 2026
- Zaaknummer
- 23/03848
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting en medeplegen opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften vennootschapsbelasting namens commanditaire vennootschap (B) en besloten vennootschap (C), art. 69.2 AWR. Kunnen door A B.V. i.v.m. de door verdachte verrichte consultancywerkzaamheden betaalde gelden in hun geheel worden aangemerkt zowel als winst die B C.V. en C B.V. hebben genoten en daarom hadden moeten betrekken in hun aangiften Vpb, als ook als inkomsten die verdachte heeft genoten en die hij daarom had moeten betrekken in zijn aangiften IB? Hof heeft vastgesteld dat B C.V. in totaal € 917.238,70 van A B.V. heeft ontvangen en dat C B.V. in 2016 € 142.248 van A B.V. heeft ontvangen, telkens i.v.m. de door verdachte als consultant verrichte werkzaamheden. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte middellijk beherend vennoot van B C.V. en middellijk enig aandeelhouder en bestuurder van C B.V. is. Daaruit heeft hof afgeleid dat zowel zeggenschap over bedrijfsvoering van deze vennootschappen als economisch belang bij onderneming van deze vennootschappen, waaronder van A B.V. verworven gelden, volledig rust bij verdachte. Hof heeft op basis hiervan overwogen dat door B C.V. en C B.V. van A B.V. verworven gelden fiscaal hadden moeten worden betrokken in inkomstensfeer van persoon achter onderneming (verdachte). Daarnaast heeft hof overwogen dat B C.V. en C B.V. deze zelfde inkomsten opzettelijk niet hebben opgegeven in hun aangiften Vpb. ’s Hofs in deze overwegingen besloten liggende oordeel dat door B C.V. en C B.V. van A B.V. ontvangen gelden voor de door verdachte als consultant verrichte werkzaamheden in hun geheel door B C.V. en C B.V. als winst zijn genoten, en tegelijkertijd en voor hetzelfde bedrag door verdachte als inkomsten zijn genoten, geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Die vennootschappen kunnen immers alleen Vpb-plichtig zijn v.zv. zij die gelden fiscaal zelf hebben genoten, wat betekent dat die gelden niet ook, tegelijkertijd en tot hetzelfde bedrag, rechtstreeks door verdachte kunnen zijn genoten voor IB. Dat zowel zeggenschap over bedrijfsvoering van B C.V. en C B.V. als economisch belang bij onderneming van deze vennootschappen, waaronder van A B.V. verworven gelden, volledig bij verdachte rust, kan daarom ’s hofs oordeel niet dragen. HR merkt (n.a.v. CAG) ambtshalve op dat is bewezenverklaard medeplegen opzettelijk doen van onjuiste en onvolledige aangiften Vpb t.n.v. B C.V. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat B C.V. een commanditaire vennootschap is. O.g.v. art. 2.1.a (oud) Wet Vpb 1969 zijn alleen zogenoemde open C.V.’s als binnenlandse belastingplichtigen aan die belasting onderworpen. Art. 2.3.c (oud) AWR bepaalt dat belastingwet onder open C.V. verstaat vennootschap waarbij toetreding of vervanging van commanditaire vennoten kan plaatshebben zonder toestemming van alle (beherende en commanditaire) vennoten. Uit inhoud van de door hof gebruikte bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid of B C.V. een open C.V. is a.b.i. art. 2.3.c (oud) AWR en dus ook niet of zij Vpb-plichtig is. Als hof na terugwijzing tot conclusie komt dat B C.V. niet open C.V. is, kan tlgd. feit v.zv. inhoudende dat onjuiste en onvolledige aangifte er telkens ‘toe strekte dat te weinig belasting werd geheven’, niet worden bewezenverklaard. Als hof na terugwijzing tot conclusie komt dat B C.V. wel open C.V. is, moet rekening worden gehouden met mogelijkheid dat deze vennootschap slechts deel van de van A B.V. verworven gelden als (bruto) winst heeft genoten en dat verdachte van die gelden een eigen deel als (bruto) winst of als (bruto) inkomsten heeft genoten. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. CAG (strekking): algehele vernietiging en terugwijzing.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.