ECLI:NL:HR:2026:1235
Hoge Raad
- Uitspraak
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/01569
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging t.z.v. feitelijke aanranding van eerbaarheid in 2004 wegens verjaring is vervallen, art. 246 (oud) Sr of art. 241.1 Sr. Verjaring, art. 1.2, 70.1.3 en 70.1.4 Sr. Kan onverhoeds handelen onder nieuwe Wet seksuele misdrijven ook als “dwang” worden gekwalificeerd? Als na begaan van feit de delictsomschrijving in voor verdachte gunstige zin is gewijzigd, waaronder begrepen veranderingen in bestanddelen en vervallen van strafbaarstellingen, is art. 1.2 Sr van toepassing als die wetswijziging een gevolg is van verandering van inzicht van wetgever over strafwaardigheid van het vóór wetswijziging begane strafbare feit. Voor regels van sanctierecht, die zowel specifiek strafmaximum als meer algemene regels over sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat daarin sinds het plegen van delict opgetreden verandering door rechter met onmiddellijke ingang (en dus zonder toetsing aan maatstaf van gewijzigd inzicht van strafwetgever over strafwaardigheid van de vóór wetswijziging begane strafbare feiten) moet worden toegepast, als en v.zv. die verandering in voorliggende zaak ten gunste van verdachte werkt (vgl. :HR:2011:BP6878). Van “dwang” a.b.i. art. 246 (oud) Sr kan sprake zijn als ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben waardoor slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden (vgl. HR:2013:900 en HR:2021:842). In nieuwe strafbaarstelling van art. 241.1 Sr is, zoals ook volgt uit wetsgeschiedenis bij Wet seksuele misdrijven, gebruik van dwang, geweld of bedreiging niet langer voorwaarde voor strafbaarheid wegens (opzet)aanranding. O.g.v. art. 241.2 Sr kan feit worden gekwalificeerd als “gekwalificeerde opzetaanranding” o.m. als sprake is geweest van “dwang”. Daarmee is (in bewoordingen van wetsgeschiedenis) voorzien in rechtsopvolger van art. 246 (oud) Sr. Of sprake is van “dwang” a.b.i. art. 241.2 Sr hangt af van concrete feiten en omstandigheden van geval. In memorie van toelichting komt naar voren dat voor strafverzwarende omstandigheid “dwang” t.o.v. strafbaarstelling van art. 246 (oud) Sr “wat lager bewijsvereiste” geldt, waarbij het volstaat “dat zodanige pressie op ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate mogelijkheid heeft gehad vrije keuze te maken”, waarbij pressie “veelheid aan gedaanten” kan aannemen en “kan worden uitgeoefend met gebruik van verschillende middelen”. Daarbij wordt onder “dwang” onder meer begrepen het “overrompelen” van ander. In het licht van deze wetsgeschiedenis kan van “dwang” a.b.i. art. 241.2 2 Sr o.m. sprake zijn als ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben, waardoor slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden. Dat (zoals in memorie van toelichting is opgemerkt) rechter in voorkomend geval bij zijn oordeel of sprake is geweest van opzet a.b.i. art. 241.1 Sr onverhoeds karakter van handeling in aanmerking kan nemen, doet er niet aan af dat dit onverhoedse karakter eveneens met zich kan brengen dat sprake is van “dwang” a.b.i. art. 241.2 Sr. Het maakt hierbij ook geen verschil dat in art. 246 (oud) Sr “dwingen” een delictsbestanddeel vormt, terwijl in art. 241 Sr “dwang” betrekking heeft op de in art. 241.2 Sr opgenomen strafverzwarende omstandigheid. Tll. heeft betrekking op strafbaar feit van art. 246 (oud) Sr. Hof heeft overwogen dat weliswaar “het dwingen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen” is tlgd., maar dat tll. uitsluitend gedragingen omvat die bestaan uit aanranding door lichaam van aangeefster “onverhoeds” aan te raken. Antwoord op vraag of (uitgaande van deze lezing van tll.) met invoering van strafbaarstelling van art. 241 Sr voor verdachte gunstige wijziging van wetgeving als hiervoor bedoeld heeft plaatsgevonden, luidt ontkennend. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is niet sprake van wijziging van delictsomschrijving in een voor verdachte gunstige zin, terwijl ook wat betreft strafmaximum niet verandering heeft plaatsgevonden die t.g.v. verdachte werkt. In ‘s hofs overweging ligt opvatting besloten dat, gelet op totstandkomingsgeschiedenis van Wet seksuele misdrijven, onverhoedse aanrakingen nooit als “dwang” a.b.i. art. 241.2 Sr kunnen worden gekwalificeerd, maar uitsluitend strafbaar zijn o.g.v. art. 241.1 Sr en dat daarom bij beoordeling van verjaring moet worden uitgegaan van het in art. 241.1 Sr (als voor verdachte gunstige bepaling) neergelegde strafmaximum van 6 jaren gevangenisstraf en niet van strafbaarstelling van art. 246 (oud) Sr met daarin opgenomen strafmaximum van 8 jaren gevangenisstraf. Hof heeft daarmee, zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, aan zijn oordeel over verjaring een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag gelegd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. CAG (strekking): algehele vernietiging.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.