ECLI:NL:HR:2026:1299
Hoge Raad
- Uitspraak
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- 24/03743 bis
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm; eindarrest na tussenarrest HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:301
Uitspraak
1 De loop van het geding in cassatie tot dusver
1.1
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:301 (hierna: het arrest van 27 februari 2026), wordt verwezen naar dat arrest.
1.2
Bij het arrest van 27 februari 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en dat de Hoge Raad de zaak zal afdoen. Daarbij heeft de Hoge Raad beslist dat de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep wordt vastgesteld op € 1.868.
1.3
De Hoge Raad heeft, in onderdeel 5 (Proceskosten) van het arrest van 27 februari 2026, verder beslist dat de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad is gebleken dat niet de Staat maar de Staatssecretaris van Financiën had moeten worden aangewezen als de partij die deze kosten moet vergoeden. Dat wordt in dit arrest hersteld.
2. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
2.1
In het arrest van 27 februari 2026 heeft de Hoge Raad overwogen dat, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid zal worden gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
2.2
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft bij bericht van 27 februari 2026 van die gelegenheid gebruikgemaakt.
2.3.1
Belanghebbende betoogt in het bericht van 27 februari 2026 – samengevat – dat het decimeren van de proceskostenvergoeding ten opzichte van die waarop volgens de hoofdregel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) door justitiabelen aanspraak kan worden gemaakt, strijd oplevert met het door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Verder betoogt belanghebbende dat de Hoge Raad met zijn oordeel in het arrest van 17 januari 2025 dat artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) verenigbaar is met het Unierecht, artikel 267 VWEU heeft geschonden door geen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, noch te motiveren welke van de drie zogenoemde ‘Cilfit-uitzonderingen’ op de verplichting om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen van toepassing waren.
2.3.2
Dit betoog faalt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 2.4.1 tot en met 2.4.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1246. De Hoge Raad ziet daarom in hetgeen belanghebbende aanvoert, geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
2.4
Anders dan belanghebbende in het bericht van 27 februari 2026 kennelijk tot uitgangspunt neemt, volstaat het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop belanghebbende volgens artikel 19a van de Wet in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van het Besluit aanspraak kan maken, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, niet om te concluderen dat aan het Unierecht recht op een hogere vergoeding kan worden ontleend. Bijkomende omstandigheden kunnen echter in samenhang met dat feit tot een andere conclusie nopen op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit. Hetgeen belanghebbende voor het overige in het bericht van 27 februari 2026 aan omstandigheden heeft aangevoerd, geeft naar het oordeel van de Hoge Raad geen aanleiding om op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de in dat besluit voorziene forfaitaire bedragen.
2.5
Belanghebbende heeft met betrekking tot het bedrijfsmodel van de gemachtigde geen nadere gegevens verstrekt ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als zo’n bijzonder geval. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van artikel 19a van de Wet.
2.6
In onderdeel 5 van het arrest van 27 februari 2026 is vermeld dat de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Aangezien echter uit datzelfde arrest volgt dat de Inspecteur wordt veroordeeld tot het vergoeden van een hoger bedrag aan proceskosten voor het geding voor de Rechtbank dan waartoe de Rechtbank hem had veroordeeld, moet niet de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) maar de Staatssecretaris de kosten van het geding in cassatie dragen.
2.7
Bij de berekening van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure gaat de Hoge Raad van het volgende uit: (i) drie proceshandelingen (beroepschrift in cassatie, conclusie van repliek, en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken) en daarmee van 4,5 punt;(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie;(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit; (iv) de vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet, aangezien dit arrest niet inhoudt dat het bestreden besluit (een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen) wordt vernietigd of gewijzigd. Dit een en ander komt neer op een proceskostenvergoeding van € 421.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.