ECLI:NL:PHR:2026:668
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- 23/00813
- Rechtsgebied
- Civiel recht
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht, WAM; bestuurdersexoneratie in de zin van art. 4 lid 1 WAM van toepassing in geval van passagier die aan handrem trekt een ernstig ongeval veroorzaakt waardoor degene die achter het stuur zit letselschade oploopt? Vervolg op ECLI:NL:HR:2024:726, ECLI:NL:HR:2024:1022 en ECLI:EU:C:2026:89.
Uitspraak
1 Feiten en procesverloop
1.1
Voor de in cassatie vaststaande feiten verwijs ik naar de al genoemde twee tussenarresten in deze zaak uit 2024.
1.2
Voor het procesverloop in feitelijke instanties en in cassatie tot aan mijn eerste conclusie in deze zaak volstaat verwijzing naar mijn eerdere conclusie. Het verdere procesverloop is als volgt.
1.3
Bij Borgersbrief van 11 januari 2024 heeft de advocaat van Nationale Nederlanden op mijn eerste conclusie gereageerd.
1.4
Bij het al aangehaalde tussenarrest van 17 mei 2024 heeft de Hoge Raad partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het stellen van de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU (rov. 5-7):
‘1. Dient art. 12 lid 1 gecodificeerde Richtlijn 2009/103 zo te worden uitgelegd dat de verplichte verzekering aansprakelijkheid moet dekken voor de schade van de (aanvankelijke) bestuurder in een geval waarin een inzittende ingrijpt in de besturing van het motorrijtuig en zich door dat ingrijpen een ongeval voordoet?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vloeien uit het Unierecht dan bepaalde eisen voort die de nationale rechter in acht moet nemen bij de vaststelling of een bestuurder als bedoeld in art. 12 lid 1 gecodificeerde Richtlijn 2009/103 de hoedanigheid van bestuurder in de omstandigheden van het geval heeft verloren en in aanmerking komt voor de inzittendenbescherming volgens de algemene regel?’
1.5
De advocaten van partijen hebben laten weten geen op- of aanmerkingen te hebben en de Hoge Raad heeft ook overigens geen aanleiding gezien tot wijziging of aanvulling van de te stellen vragen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
1.6
Bij het al aangehaalde tussenarrest van 5 juli 2024 heeft de Hoge Raad het HvJEU verzocht over de hiervoor in 1.4 geciteerde vragen uitspraak te doen, iedere verdere beslissing aangehouden en het geding geschorst tot het HvJEU naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
1.7
Op 12 juli 2024 is het verzoek om een prejudiciële beslissing door de Hoge Raad ingediend bij het HvJEU.
1.8
Nationale Nederlanden, de Nederlandse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt en op 12 juni 2025 is er bij het HvJEU een zitting geweest.
1.9
Op 25 september 2025 heeft A-G Biondi vervolgens conclusie genomen. De A-G heeft het HvJEU in zijn conclusie onder 46 in overweging gegeven art. 12 lid 1 Richtlijn 2009/103 aldus uit te leggen dat ‘de schade die de bestuurder van een voertuig bij een verkeersongeval lijdt, niet wordt gedekt door de verplichte verzekering waarin deze richtlijn voorziet, zelfs niet indien een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van het voertuig waardoor het ongeval zich heeft voorgedaan.’
1.10
Bij het al aangehaalde arrest van 12 februari 2026 is door het HvJEU dienovereenkomstig geoordeeld met de volgende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag (punt 46; zie ook punt 44):
‘Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid
moet aldus worden uitgelegd dat
de schade die is geleden door de bestuurder van een voertuig waarmee een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden, niet hoeft te worden gedekt door de in deze richtlijn bedoelde verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zelfs in een geval waarin een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van dit voertuig en dit ongeval zich door dat ingrijpen heeft voorgedaan.’
Daarmee werd aan de tweede vraag niet toegekomen (punt 45).
1.11
Na deze uitspraak van het HvJEU hebben partijen de zaak weer opgebracht, waarbij beide partijen hebben afgezien van een nadere schriftelijke toelichting.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.