ECLI:NL:PHR:2026:673
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/03653
- Rechtsgebied
- Civiel recht
Inhoudsindicatie
Overheidsprivaatrecht. Wet Mulder (Wahv). Wettelijke verhogingen van verkeersboetes bij niet-tijdige betaling in strijd met art. 6 of 7 EVRM dan wel art. 1 EP EVRM? Gevolgen van die strijd. Onevenredige bestraffing. Buitensporige last. Rechtsbescherming door de burgerlijke rechter? Ongelijke behandeling door verschil in rechtsbescherming? Rechtsherstel door de rechter. Maatstaven Arbeidskostenforfait-arrest.
Uitspraak
1 Inleiding en samenvatting
De prejudiciële vraag
1.1
De prejudiciële vraag in deze zaak heeft betrekking op de wettelijke verhogingen van verkeersboetes die verschuldigd worden als die boetes niet op tijd worden betaald. Die verhogingen vinden op grond van de art. 23 lid 3 en 25 lid 1 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) van rechtswege plaats. De verhogingen belopen 50% achtereenvolgens 100% van het verschuldigde bedrag, waarbij de tweede verhoging mede wordt berekenend over de eerste verhoging, waardoor in totaal sprake is van een verhoging met 200% van het bedrag van de boete (een boete van € 100,- wordt na de tweede verhoging dus € 300,-).
De prejudiciële vraag luidt of de art. 23 lid 3 en 25 lid 1 Wahv in strijd zijn met de art. 6 EVRM, 7 EVRM of 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP EVRM). Daarmee stelt de vraag aan de orde, kort gezegd, (a) of de verhogingen een ‘criminal charge’ opleveren in de zin van art. 6 EVRM en dus moeten voldoen aan de eisen die deze bepaling aan een ‘criminal charge’ stelt – in welk geval ook art. 7 EVRM van toepassing is dat het beginsel ‘nulla poena sine lege’ bevat –, en (b) of de verhogingen een inbreuk vormen op het recht op eigendom zoals dat wordt beschermd door art. 1 EP EVRM.
Inhoud van deze conclusie; leeswijzer
1.2
Hierna worden in hoofdstuk 2 de feiten en het procesverloop van deze procedure weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het bij schriftelijke opmerkingen door de Staat opgeworpen verweer dat de gestelde vraag zich om meerdere redenen niet voor beantwoording als prejudiciële vraag leent. In hoofdstuk 4 wordt met het oog op de beantwoording van de prejudiciële vraag zeer uitvoerig ingegaan op de Wahv, de Wahv-verhogingen en de diverse juridische en feitelijke aspecten van de verhogingen. In de hoofdstukken 5 en 6 worden achtereenvolgens de hiervoor in 1.1 genoemde onderdelen (a) en (b) van de prejudiciële vraag besproken en beantwoord. Bij onderdeel (a) wordt mede ingegaan op de vraag of sprake is van strijd met art. 7 EVRM. De conclusie wordt afgesloten met enige afsluitende opmerkingen in hoofdstuk 7.
Het in deze conclusie gegeven antwoord
1.3
Op grond van de rechtspraak van het EHRM wordt in deze conclusie tot het antwoord gekomen dat de verhogingen in strijd zijn met art. 6 EVRM, omdat deze neerkomen op een bestraffing in de zin van art. 6 EVRM en daarom een toetsing op evenredigheid van de verhogingen mogelijk moet zijn. Aan die toetsing bestaat behoefte in de gevallen dat sprake is van een betrokkene die door een gebrek aan draagkracht de boete redelijkerwijs niet kan betalen of waarvan vaststaat dat hem (anderszins) geen enkel verwijt valt te maken van het feit dat hij de boete niet op tijd heeft betaald.
Het Nederlandse recht voorziet op zichzelf in een oplossing van deze strijd doordat die toetsing kan plaatsvinden door de burgerlijke rechter, door welke mogelijkheid de strijd van de wet met art. 6 EVRM wordt opgeheven. De rechtsgang bij de burgerlijke rechter is echter weinig passend, door de aard van die procedure – die niet is ingericht op een beslissing over een bestraffing – en door de relatief hoge drempels die daarbij bestaan. In vergelijking met de rechtsgang die bij de bestuursrechters en bij de strafrechter bestaat met betrekking tot een bestraffing, is de rechtsgang bij de burgerlijke rechter bovendien zeer ongunstig voor de betrokkene. Voor dat verschil in behandeling van de betrokkene die reden heeft om op te komen tegen de verhogingen, bestaat geen rechtvaardiging.
De met dat laatste geconstateerde ongerechtvaardigde ongelijke behandeling kan snel en eenvoudig worden opgeheven door de Wahv aldus uit te leggen dat de mededeling van de verhogingen heeft te gelden als een beschikking in de zin van de Wahv, waartegen, net als tegen de verkeersboetes als bedoeld in de Wahv, beroep kan worden ingesteld op de wijze zoals voorzien in de Wahv. Met deze uitleg zou ook sprake zijn van de laagdrempelige rechtsbescherming die voor genoemde gevallen passend is.
De vraag is of de rechter tot deze uitleg kan overgaan. De conclusie beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van de maatstaven van het bekende Arbeidskostenforfait-arrest.
1.4
Op grond van de rechtspraak van het EHRM wordt in deze conclusie voorts tot het antwoord gekomen dat de verhogingen ook in strijd zijn met art. 1 EP EVRM. Die strijd bestaat eveneens in de gevallen dat sprake is van een betrokkene die door een gebrek aan draagkracht de boete redelijkerwijs niet kan betalen of waarvan vaststaat dat hem (anderszins) geen enkel verwijt valt te maken van het feit dat hij de boete niet op tijd heeft betaald. In die gevallen kan niet worden gesproken van een ‘fair balance’ tussen de belangen van de betrokkene en het algemene belang dat is gemoeid met de inning van de boetes waarop de Wahv ziet en is sprake van een ‘excessive burden’. Deze strijd valt het beste op te heffen door te beslissen dat de Staat, meer in het bijzonder het CJIB, verplicht is om af te zien van de inning van de verhogingen in de gevallen dat sprake is van die strijd.
1.5
Het ligt voor de hand dat als de Hoge Raad, overeenkomstig het hiervoor in 1.3 vermelde, beslist dat de betrokkene tegen de verhogingen beroep kan instellen overeenkomstig de regeling die op grond van de Wahv geldt voor verkeersboetes, de betrokkene voor bezwaren tegen die verhogingen niet meer terecht kan bij de burgerlijke rechter. Dat is immers naar Nederlands recht steeds de consequentie van het openstaan van een bijzondere rechtsgang bij een andere rechter. Het is echter goed als daarnaast wordt uitgesproken dat de Staat op grond van art. 1 EP EVRM geen verhaal voor de verhogingen kan nemen in de hiervoor in 1.3 en 1.4 genoemde gevallen. Daarmee kan worden voorkomen dat de Staat überhaupt in die gevallen verhaal neemt.
1.6
Van strijd met art. 7 EVRM is tot slot geen sprake, omdat de Wahv op zichzelf naar behoren voorziet in de regeling van de verhogingen. Die regeling voldoet aan de eisen die art. 7 EVRM volgens de rechtspraak van het EHRM stelt.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.