ECLI:NL:PHR:2026:674
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/00358
- Rechtsgebied
- Civiel recht
Inhoudsindicatie
Agrarische erfpacht. Fosfaatrechten. Heeft de erfverpachter een aanspraak ter zake van aan de erfpachter toegekende fosfaatrechten volgens dezelfde uitgangspunten als die in het geval van pacht gelden?
Uitspraak
1 Inleiding en samenvatting
1.1
In deze zaak heb ik op 16 januari 2026 geconcludeerd. Volgens die conclusie slaagt geen van de cassatieklachten van de Staat.
1.2
De Staat heeft in zijn schriftelijke toelichting verzocht om eventueel in een overweging ten overvloede de vraag te beantwoorden of de uitgangspunten van het arrest ASR/Qualm met betrekking tot pacht, ook zouden kunnen of moeten gelden in het geval van agrarische erfpacht. Zulke overeenkomstige toepassing van die uitgangspunten zou betekenen dat als algemene regel van aanvullend recht behoort te worden aangenomen dat de erfpachter van een hoeve, van minimaal 15 hectare grond of van een gebouw dat specifiek voor de melkveehouderij is ingericht en voor de uitoefening daarvan noodzakelijk, verplicht is de aan het erfpachtrecht toe te rekenen fosfaatrechten over te dragen aan de erfverpachter, tegen betaling van 50% van de marktwaarde daarvan aan de erfpachter. Bijzondere omstandigheden van het geval kunnen noodzaken tot afwijking van die regel, zoals dit ook in geval van pacht geldt.
1.3
Ik heb in mijn conclusie van 16 januari 2026 de vraag of zulke overeenkomstige toepassing van de uitgangspunten van het arrest ASR/Qualm op erfpacht wel of niet op zijn plaats is, nog niet besproken, maar mijn bereidheid uitgesproken om met het oog op het geval dat uw Raad overweegt de bedoelde vraag wel ook te beantwoorden, aanvullend te concluderen. Uw Raad heeft mij vervolgens laten weten van die bereidheid gebruik te willen maken.
1.4
De bestaansgrond voor de aanspraak van de verpachter ter zake van aan de pachter toegekende fosfaatrechten ligt in twee argumenten in onderlinge samenhang, namelijk (1) de langdurige terbeschikkingstelling door de verpachter van bedrijfsmiddelen die voor het bedrijf van de pachter van overwegend belang zijn, heeft aan de toekenning van de fosfaatrechten bijgedragen en (2) de grond en/of gebouwen zijn na het einde van de pachtovereenkomst zonder fosfaatrechten potentieel minder goed te exploiteren en daarom minder waard. Deze argumenten gaan in gelijke mate op voor agrarische erfpacht. Daarom is gerechtvaardigd dat de uitgangspunten van het arrest ASR/Qualm met betrekking tot pacht in beginsel ook in het geval van agrarische erfpacht gelden.
1.5
Wel is de hoogte van de door de erfpachter te betalen tegenprestatie in het geval van erfpacht vrij, anders dan in het geval van langdurige pacht (waarvoor de hoogst toelaatbare pachtprijs geldt). In verband daarmee moet een uitzondering worden aangenomen voor het geval dat bij de vestiging van het erfpachtrecht de kwade kans voor de erfverpachter van de introductie van een nieuw productierecht door partijen in de hoogte van de tegenprestatie is verdisconteerd (iets dat in het geval van pacht niet mogelijk is).
1.6
Anders dan waarvan een zeer recent arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitgaat, is niet iedere prijs die hoger is dan voor pacht toelaatbaar is, reden om aan te nemen dat de bedoelde kwade kans voor de erfverpachter inderdaad door partijen is verdisconteerd. Erfpacht is in diverse opzichten gunstiger voor de gebruiker dan pacht en een hogere prijs past daarbij. In plaats van de hoogte van de tegenprestatie lijkt mij voor de vraag wat partijen wel of niet met betrekking tot productierechten hebben verdisconteerd vooral het moment van vestiging van het erfpachtrecht indicatief.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.