1 Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In eerste aanleg heeft de kantonrechter het ontbindingsverzoek afgewezen op de grond dat geen redelijke grond voor ontbinding aanwezig was. In hoger beroep heeft het hof bepaald dat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 eindigt op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3, onder g, BW, ook wel g-grond). Daarnaast komt het hof tot het oordeel dat de kantonrechter terecht het ontbindingsverzoek wegens disfunctioneren van de werknemer (art. 7:669 lid 3, onder d, BW, ook wel d-grond) heeft afgewezen. De verzoeken van de werknemer om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding worden toegewezen en de werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.
1.2
In cassatie draait het vooral om het oordeel van het hof over de d-grond (onderdeel 1). Er wordt betoogd dat het hof, in het licht van de Ecofys-beschikking van de Hoge Raad, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Mijns inziens is deze klacht tevergeefs voorgesteld. De voortbouwende klachten in onderdelen 2, 3 en 5 falen daarom ook.
1.3
Onderdeel 4 klaagt dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 7:686a lid 6 BW. Hierin is bepaald dat de rechter, alvorens hij een ontbinding als bedoeld in art. 7:671b of 7:671c BW waaraan een vergoeding verbonden wordt, uitspreekt, de partijen in kennis stelt van zijn voornemen en een termijn stelt binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Indien de verzoeker dat doet, zal de rechter alleen een beslissing geven omtrent de proceskosten. Het middel betoogt dat, in het licht van de recente Profoto-beschikking van de Hoge Raad, art. 7:686a lid 6 BW van toepassing is indien de rechter in hoger beroep voornemens is te oordelen dat het ontbindingsverzoek van de werkgever ten onrechte is afgewezen, het voornemen heeft een tijdstip te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt en om een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten toe te kennen. Ik meen dat onderdeel 4 terecht is voorgesteld en concludeer op die grond tot vernietiging en verwijzing.
1.4
In de Profoto-beschikking is voorts uitgemaakt dat wanneer de kantonrechter een ontbindingsverzoek heeft toegewezen en de arbeidsovereenkomst reeds is ontbonden, maar het hof voornemens is dat verzoek op een andere grond (in die zaak: de i-grond) alsnog toe te wijzen en daaraan een vergoeding (in die zaak: een cumulatievergoeding) aan te verbinden, ook in die situatie – en dus in appel – de verzoeker de gelegenheid moet krijgen zijn verzoek in te trekken. In de literatuur is erop gewezen dat die overweging in de Profoto-beschikking zowel wetssystematische als praktische bezwaren oproept. Deze kwestie is aan de orde gesteld in de zaak met zaaknummer 25/03613 (als onderdeel 3 van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel), waarin A-G De Bock vandaag concludeert.