ECLI:NL:PHR:2026:716
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 10 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/03801
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Belastingrecht
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting; ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep; artikel 8:21 Awb; artikel 6:17 Awb; belanghebbendes vermogen onder bewind gesteld; gevolgen van onderbewindstelling voor procesbevoegdheid; gemachtigde niet op de hoogte gesteld van het hoger beroep van het bestuursorgaan.
Uitspraak
1 Inleiding en overzicht
1.1
Deze zaak is gestart als een procedure over een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag). In cassatie draait het echter alleen nog om twee procedurele kwesties, te weten (i) de niet-ontvankelijkverklaring door het Hof van het incidenteel hoger beroep van belanghebbende, en (ii) de omstandigheid dat het Hof geen beslissing heeft genomen ter zake van de wettelijke rente over de door het Hof aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding.
1.2
Deze zaak is geselecteerd voor conclusie in verband met geschilpunt (i). Wat is het geval? Het vermogen van belanghebbende is onder bewind gesteld van een bewindvoerder. Een door deze bewindvoerder ingeschakelde gemachtigde (de gemachtigde) heeft beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslag. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De Heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de gronden van het hoger beroep bij brief van 15 januari 2025 verzonden aan alleen belanghebbende zelf, niet (ook) aan de gemachtigde of de bewindvoerder. Op enig moment is de gemachtigde op de hoogte van het hoger beroep gekomen. De gemachtigde heeft vervolgens een verweerschrift ingediend waarbij hij tevens incidenteel hoger beroep instelt. Het Hof heeft het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens (onverschoonbare) termijnoverschrijding. Het heeft daarbij verworpen het betoog dat de brief van 15 januari 2025 (ook) had moeten worden verzonden naar de gemachtigde (op grond van art. 6:17 Awb) althans naar de bewindvoerder (gelet op art. 8:21(1) Awb).
1.3
Deze conclusie concentreert zich op de vraag of de brief van 15 januari 2025 naar de bewindvoerder had moeten worden gezonden gelet op art. 8:21(1) Awb. Art. 8:21(1) Awb bepaalt: “Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht”. De weergave in onderdeel 2 van de feiten, het procesverloop en de oordelen van de feitenrechters is in hoofdzaak beperkt tot gegevens die relevant zijn voor beantwoording van die vraag. In onderdeel 3 ga ik in op beschermingsbewind in het civiele recht. Vervolgens komt in onderdeel 4 beschermingsbewind in het fiscale bestuursrecht aan bod, waarbij ik inga op zowel vertegenwoordiging ‘buiten rechte’ als vertegenwoordiging ‘in rechte’. In onderdeel 5 volgt mijn beschouwing.
1.4
De belangrijkste punten van mijn beschouwing zijn de volgende:
- (5.7-5.9) Naar ik begrijp gaat het Hof van de rechtsopvatting uit dat (i) aangezien bewind niet eraan afdoet dat een onder bewind gestelde persoon handelingsbekwaam is/blijft, (ii) een onder bewind gestelde niet kan worden aangemerkt als een natuurlijk persoon die onbekwaam is om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21(1) Awb. Ik meen dat element (ii) van de opvatting onjuist is. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat ook personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld, onder het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb vallen. Ook rechtspraak en literatuur gaan daar van uit.
- (5.10-5.14) Ik meen evenwel ook dat een persoon van wie het vermogen onder bewind is gesteld niet zonder meer (volledig) binnen het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb valt, maar alleen indien het gaat om een geding dat een aangelegenheid betreft die onder de taak van de bewindvoerder valt. Of art. 8:21(1) Awb in een concreet geval van toepassing is, is daarom afhankelijk van de aard van het geding in het licht van de taak van de bewindvoerder.
- (5.15-5.19) Voor een geval als dit brengt deze geding-afhankelijke toepassing van art. 8:21(1) Awb mee dat art. 8:21(1) Awb van toepassing is. Aangezien handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de onder bewind gestelde tot de taak van de bewindvoerder behoren, kan immers het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een belastingaanslag tot die taak behoren. Dat geldt ook voor het voeren van verweer in hoger beroep.
- (5.23-5.31) Aangezien art. 8:21(1) Awb van toepassing is, had het Hof de brief van 15 januari 2025 aan de bewindvoerder moeten versturen. De bewindvoerder is immers de formele procespartij, indien art. 8:21(1) Awb van toepassing is. Zo nodig kan de verplichting mede worden gebaseerd op een van-overeenkomstige-toepassing van art. 6:17 Awb.
- (5.32-5.35) Aangezien de brief van 15 januari 2025 ten onrechte niet is verstuurd naar de bewindvoerder, is de in art. 8:110(2) Awb neergelegde zeswekentermijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep niet aangevangen met de verzending van die brief naar belanghebbende. Aangezien aangenomen kan worden dat (de gemachtigde van) de bewindvoerder de gronden van het beroep in elk geval niet eerder dan zes weken voorafgaand aan het instellen van het incidenteel hoger beroep onder ogen heeft gezien, is dat incidenteel hoger beroep tijdig ingesteld. Dat beroep is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
1.5
In onderdeel 6 volgt de beoordeling van de klachten in cassatie. Klacht I betreffende de niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel hoger beroep leidt tot cassatie gelet op mijn beschouwing. Het gaat daarbij om het onderdeel van de klacht wat betreft art. 8:21 Awb (6.1). Aan het onderdeel van de klacht inhoudende dat de brief van 15 januari 2025 naar de gemachtigde had moet worden gezonden op grond van art. 6:17 Awb, besteed ik nauwelijks aandacht, omdat het lot van die klacht nauw samenhangt met de vraag of art. 8:21 Awb van toepassing is (6.2-6.5). Klacht II slaagt, omdat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding in hoger beroep.
1.6
In een afzonderlijk onderdeel 7 ga ik in op de afdoening van de zaak ná cassatie. Wat betreft de kwestie waarop de slagende klacht II betrekking heeft, kan de Hoge Raad naar mijn mening de zaak zelf afdoen (7.1). Dat laatste lijkt voorshands niet voor de hand te liggen wat betreft het incidenteel hoger beroep, aangezien het Hof aan de beoordeling daarvan niet was toegekomen. Ik meen echter dat het mogelijk is voor de Hoge Raad om binnen het kader van art. 29e(2) AWR de twee grieven van het incidentele hoger beroep te beoordelen, mede omdat daarvoor geen feitenonderzoek nodig is (7.2-7.5). De eerste grief is gericht tegen de door Rechtbank gehanteerde wegingsfactor van 0,5 bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding. Voordat ik deze grief in concreto beoordeel, veroorloof ik me een uitweiding naar de intensiteit van toetsing van een oordeel van een rechtbank over de wegingsfactor van een zaak. Dat doe ik mede naar aanleiding van een relatief recente, principiële, uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin dat hof heeft geoordeeld dat het ten volle toetst of de rechtbank de juiste wegingsfactor heeft toegepast. Ik meen dat dit hof als uitgangspunt gelijk heeft dat een gerechtshof de juistheid van een oordeel over de wegingsfactor volledig kan toetsen op grond van een eigen waardering, maar ik meen ook dat met enige praktische wijsheid invulling kan worden gegeven aan die volle toets. Meer in het bijzonder staat niets een gerechtshof eraan in de weg om bij die toets enige terughoudendheid te betrachten. Bij de eigen waardering kan een gerechtshof namelijk er rekening mee houden dat de rechter die de zaak zelf heeft behandeld in de desbetreffende instantie, als uitgangspunt in de beste positie is om het gewicht van de zaak te bepalen (7.6-7.8). Voor het onderhavige geval meen ik dat, gelet op enerzijds de factoren die het gewicht van een zaak bepalen en anderzijds de gegevens in het dossier, er geen aanleiding is om – uitgaande van een eigen waardering door de Hoge Raad – het ‘beter te weten’ dan de Rechtbank wat betreft de wegingsfactor van 0,5 (7.9). Ik zet daarbij uiteen dat dit naar mijn mening bovendien niet onverenigbaar is met de gebruikelijke handelwijze van de Hoge Raad om een wegingsfactor 1 (of 1,5) te hanteren indien hij de proceskostenvergoeding voor eerdere instanties vaststelt ná cassatie (7.10). Ook de tweede grief moet mijns inziens worden verworpen. Anders dan de tweede grief betoogt, heeft de Rechtbank niet nagelaten te beslissen op het verzoek om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over zowel het griffierecht als de proceskostenvergoeding (7.12).
1.7
Ik geef de Hoge Raad aldus in overweging om het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en de zaak zelf af te doen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.