ECLI:NL:PHR:2026:739
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/02765
- Rechtsgebied
- Civiel recht; Personen- en familierecht
Inhoudsindicatie
Wzd. Besluit tot opname en verblijf (art. 21 Wzd). Verval van artikel 21-besluit (art. 22 lid 10 Wzd). Is een artikel 21-besluit een geldige titel tijdens (de voorbereiding van) een procedure voor een rechterlijke machtiging (art. 24 Wzd)?
Uitspraak
1 Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wzd-zaak is een niet-vrijwillige opname op grond van een besluit van het CIZ als bedoeld in artikel 21 Wzd (hierna ook: artikel 21-besluit) omgezet in een onvrijwillige opname op grond van een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd. In cassatie draait het in de kern om de vraag of een artikel 21-besluit een geldige titel voor opname en (voortgezet) verblijf van een betrokkene kan zijn in die periode van omzetting.
1.2
Op het moment dat het CIZ het artikel 21-besluit nam, was naar het oordeel van het CIZ voldaan aan de eis van ‘geen bereidheid, geen verzet’ (niet-vrijwilligheid). Betrokkene is kort na zijn opname tekenen van verzet gaan tonen (onvrijwilligheid). Daarop heeft de zorgaanbieder bij het CIZ een aanvraag gedaan voor een verzoek om een rechterlijke machtiging. Op verzoek van het CIZ heeft de rechtbank de rechterlijke machtiging verleend.
1.3
In de onderhavige procedure heeft betrokkene op grond van artikel 44 lid 2 Wzd schadevergoeding verzocht. Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat hij op 18 maart 2024 is opgenomen in de accommodatie, dat hij vanaf dat moment verzet heeft getoond en dat ondanks de frequente uitingen van verzet pas achttien dagen na de opname, een rechterlijke machtiging is verzocht.
1.4
De rechtbank heeft het schadevergoedingsverzoek geheel afgewezen. Het hof heeft het schadevergoedingsverzoek vervolgens grotendeels afgewezen. Aan die beslissing heeft het hof ten grondslag gelegd dat betrokkene naar het oordeel van het hof vanaf het nemen van het artikel 21-besluit tot aan het verlenen van de rechterlijke machtiging met een geldige titel in de zorginstelling verbleef. Tegen dat oordeel komt betrokkene in cassatie op.
1.5
Mijns inziens slagen de klachten niet, omdat uit het systeem van de wet voortvloeit dat bij het vervangen van een artikel 21-besluit door een rechterlijke machtiging, eerstgenoemd besluit pas vervalt vanaf het moment waarop de rechterlijke machtiging is verleend (art. 22 lid 10 Wzd).
2.
Feiten
en procesverloop
Artikel 21-besluit en rechterlijke machtiging
2.1
Op 15 maart 2024 is door een consulent Wonen Welzijn en Zorg van zorginstelling Careaz bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) een verzoek gedaan tot afgifte van een besluit ten behoeve van betrokkene als bedoeld in artikel 21 Wzd.
2.2
Betrokkene is op 18 maart 2024 opgenomen in de accommodatie van de zorgaanbieder Sensire.
2.3
Op 19 maart 2024 heeft een vertegenwoordiger van het CIZ in de accommodatie met betrokkene gesproken en onderzocht of opname en verblijf in een Wzd-accommodatie op grond van artikel 21 Wzd aan de orde was. Dit was volgens het CIZ het geval omdat er geen sprake was van bereidheid tot opname maar betrokkene zich ook niet verzette. Per brief van 19 maart 2024 is een besluit tot opname voor de duur van vijf jaar afgegeven door het CIZ.
2.4
Op 27 maart 2024 is betrokkene ten behoeve van de aanvraag van een rechterlijke machtiging door een onafhankelijke arts beoordeeld. Op 28 maart 2024 is de aanvraag voor een rechterlijke machtiging voor betrokkene door Sensire verstuurd naar het CIZ. Het CIZ heeft het verzoek voor een rechterlijke machtiging op 3 april 2024 bij de rechtbank ingediend. Bij beschikking van de rechtbank van 22 april 2024 is ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging verleend, tot en met uiterlijk 22 oktober 2024.
Schadevergoedingsprocedure in eerste aanleg en hoger beroep
2.5
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen op 22 april 2024, heeft betrokkene de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) verzocht, kort weergegeven, Sensire op grond van artikel 44 Wzd te veroordelen tot het betalen van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.700,-, oftewel € 150,- per dag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 maart 2024.
2.6
Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd, kort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, dat hij op 18 maart 2024 is opgenomen in de accommodatie, dat hij vanaf dat moment verzet heeft getoond en dat ondanks de frequente uitingen van verzet pas op 3 april 2024, dus achttien dagen na de opname, een rechterlijke machtiging is verzocht. Dat is in strijd met artikel 24 lid 1 Wzd.
2.7
Sensire heeft verweer gevoerd en heeft de rechtbank primair verzocht het verzoek af te wijzen en, subsidiair, het aantal dagen naar beneden bij te stellen en de hoogte van de schadevergoeding te matigen tot een bedrag van (maximaal) € 10 per dag.
2.8
Bij beschikking van 15 juli 2024 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft daartoe voor zover in cassatie van belang het volgende overwogen:
“4.3. (…) Direct na opname op 19 maart 2024 is er een zogenoemde artikel 21-verklaring afgegeven door het CIZ. Het CIZ heeft op dat moment vastgesteld dat er geen verzet was. Vanaf 20 maart begon verzoeker de eerste tekenen van verzet te tonen tegen de opname en het verblijf. In eerste instantie was dit nog verbaal en wisselend en was het mogelijk om verzoeker af te leiden. In de dagen erna nam het verzet toe. (…)
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de afbakening tussen de situatie van een artikel 21-verklaring (geen verzet, geen instemming) en een rechterlijke machtiging (verzet) in de praktijk niet altijd makkelijk is. Verzet kan in de loop van de tijd wisselen en is soms tijdelijk te ondervangen door afleiding en geruststelling. Om die reden is het ook redelijk dat een zorgaanbieder bij een cliënt met een artikel 21-verklaring enige tijd wordt gegund om te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen. In dit geval zat er een week tussen de eerste tekenen van verzet (20 maart) en het in gang zetten van de procedure voor de rechterlijke machtiging (27 maart). Dat is naar het oordeel van de rechtbank een redelijke termijn. Ook daarna is door de zorgaanbieder voortvarend gehandeld en is de aanvraag op 28 maart 2024 aan het CIZ verstuurd. Dat de aanvraag en de behandeling door de rechtbank toen nog enige tijd (tot 22 april) heeft geduurd valt de zorgaanbieder niet te verwijten. Bij dit oordeel speelt ook een rol dat cliënt met een juridische titel in de accommodatie verbleef omdat er bij opname geen verzet werd gezien.De rechtbank is ook niet van oordeel dat door de zorgaanbieder een IBS had moeten worden aangevraagd tegelijk met de rechterlijke machtiging. Dit had onnodig belastend geweest voor betrokkene en past ook niet in het wettelijke kader (artikel 21 lid 3 Wzd jo artikel 22 lid 9 juncto artikel 24 lid 1).”
2.9
Betrokkene is van die beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). Betrokkene heeft het hof daarbij verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw recht te doen, kosten rechtens.
2.10
Sensire heeft verweer gevoerd en heeft het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, met veroordeling van betrokkene in de kosten van het geding.
2.11
De mondeling behandeling bij het hof heeft op 27 maart 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren de advocaat van betrokkene, mr. Kool, en twee vertegenwoordigers van Sensire, bijgestaan door een advocaat, mr. Hanemaaijer, aanwezig. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. De advocaat van betrokkene heeft ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
2.12
Blijkens het proces-verbaal is tijdens de mondelinge behandeling de reikwijdte van het verzoek van betrokkene waarop in hoger beroep moet worden beslist aan de orde gekomen, als volgt:
“mr. Kool:(…) Ik ga uit van een periode van vijfendertig dagen voor de omvang van de schadevergoeding.
De voorzitter:Dat is anders dan bij de rechtbank en in het beroepschrift. Dat was achttien dagen.
mr. Kool:
Er was geen grond tot aan het moment dat de rechterlijke machtiging is verleend.
De voorzitter:
Ik had genoteerd € 2.700,- à € 150,- per dag. Dat is bij de rechtbank gevraagd. Ik ging er dan ook vanuit dat dat achttien dagen waren.
(…)
De voorzitter:Ik heb gelezen tot aan 3 april, het moment dat de machtiging is aangevraagd.
mr. Kool:
De titel was er niet en die is er pas op het moment van de uitspraak gekomen.
De voorzitter:
Dan moeten we kijken of het verzoek nog gewijzigd kan worden.
(…)
mr. Hanemaaijer:
(…) In eerste aanleg ging het over achttien dagen en ik zie geen schriftelijke eisvermeerdering. Voor zover er sprake is van een eisvermeerdering maak ik daar bezwaar tegen.”
2.13
Uit het proces-verbaal blijkt niet dat ter zitting is beslist over de toelaatbaarheid van de vermeerdering van het verzoek. Ook in de hierna te noemen beschikking heeft het hof niet uitdrukkelijk daarop beslist.
2.14
Het hof heeft bij beschikking van 15 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de beschikking van de rechtbank van 15 juli 2024 vernietigd, en opnieuw beschikkende, Sensire veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene van € 100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2024 tot en met de dag van betaling, de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.
2.15
Het hof heeft daartoe voor zover in cassatie van belang het volgende overwogen (mijn onderstreping):
“Het verzoek tot schadevergoeding
5.7
Op grond van de Wdz is een geldige titel vereist voor opname en verblijf in een instelling. Partijen zijn het er over eens dat er bij [betrokkene] geen bereidheid was tot opname dan wel dat [betrokkene] niet langer in staat was om weloverwogen te beslissen over een verhuizing. Dat betekent dat er van een vrijwillige opname geen sprake kon zijn, zodat afhankelijk van de actuele situatie een zogenoemd artikel 21-besluit, een rechterlijke machtiging dan wel een inbewaringstelling nodig was voor een opname met een geldige titel. Geen van deze titels was op 18 maart 2024 echter verleend, zodat [betrokkene] op die datum in strijd met de Wzd zonder geldige titel in de zorginstelling is opgenomen.
Dat het CIZ en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zoals Sensire stelt, hebben afgesproken dat een zorgaanbieder een cliënt mag opnemen op het moment dat de aanvraag voor een besluit tot opname en verblijf op grond van artikel 21 Wzd in behandeling is bij het CIZ, maakt het voorgaande niet anders. Het enkele feit dat de IGJ heeft laten weten in dat geval niet te zullen handhaven, maakt namelijk niet dat de Wzd in acht is genomen. Sensire had op 18 maart 2024 geen geldige titel voor opname van [betrokkene], terwijl dat op grond van de Wzd wel is vereist. Daarmee heeft Sensire de Wzd niet in acht genomen, zodat het verzoek van [betrokkene] op grond van 44 Wzd in zoverre toewijsbaar is.
5.8
Op 19 maart 2024 heeft het CIZ een artikel 21-besluit afgegeven, zodat [betrokkene] vanaf dat moment met een geldige titel in de accommodatie van Sensire verbleef. Het oordeel of sprake is van een artikel 21-situatie is op grond van de Wzd uitsluitend voorbehouden aan het CIZ en het CIZ heeft op dat moment vastgesteld dat er geen sprake was van bereidheid, maar ook niet van verzet. Naar het oordeel van het hof mag de zorgaanbieder afgaan op de juistheid van het oordeel van het CIZ, zodat Sensire erop mocht vertrouwen dat het gedrag dat [betrokkene] op dat moment liet zien niet achteraf alsnog te kwalificeren is als verzet.
5.9
Onderdeel van het systeem van de Wzd is dat als de houding van de cliënt ten opzichte van zijn opname of verblijf verandert, de opnametitel moet worden bijgesteld. In dat kader heeft Sensire gesteld dat het gedrag van [betrokkene] vanaf 20 maart 2024 begon te veranderen. [Betrokkene] begon vanaf dat moment tekenen van verzet tegen het verblijf te tonen. Aangezien verzet, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, in de loop van de tijd kan wisselen en soms tijdelijk te ondervangen is door afleiding en geruststelling, is het redelijk dat een zorgaanbieder bij een cliënt met een artikel 21-besluit enige tijd wordt gegund te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen. De termijn tussen de eerste tekenen van verzet (20 maart) en het versturen van de aanvraag voor een rechterlijke machtiging met medische verklaring naar het CIZ (28 maart) komt het hof niet onredelijk voor. Sensire heeft vanaf het moment dat duidelijk was dat [betrokkene] tekenen van verzet liet zien naar het oordeel van het hof voortvarend gehandeld. Zo heeft Sensire de procedure voor de aanvraag van een rechterlijke machtiging reeds op 22 maart 2024 in gang gezet door het aanvragen van een beoordeling door een onafhankelijke arts. Die beoordeling heeft op 27 maart 2024 plaatsgevonden en Sensire heeft de aanvraag voor de rechterlijke machtiging op 28 maart 2024 naar het CIZ gestuurd.
Hiermee heeft Sensire naar het oordeel van het hof bovendien in lijn met de Wzd gehandeld. Dat de zorgaanbieder tegelijk met de rechterlijke machtiging een inbewaringstelling had moeten aanvragen, zoals [betrokkene] betoogt, volgt niet uit de Wzd en past, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, ook niet in het wettelijke kader van de Wzd (artikel 21 lid 3 in verbinding met artikel 22 lid 9 en artikel 24 lid 1 Wzd). Een onvrijwillige opname met een beschikking tot inbewaringstelling op grond van artikel 29 Wzd is aangewezen als sprake is van een spoedsituatie en de procedure tot het verkrijgen van een rechterlijke machtiging niet afgewacht kan worden. Daar was in dit geval geen sprake van. [Betrokkene] verbleef immers met een geldige titel in een instelling omdat het artikel 21-besluit op grond van artikel 22 lid 9 [hier is mijns inziens lid 10 bedoeld; A-G] Wzd doorloopt totdat een rechterlijke machtiging is afgegeven.
5.10
Het voorgaande brengt met zich dat [betrokkene] vanaf de afgifte van het artikel 21-besluit tot aan het afgeven van de rechterlijke machtiging met een geldige titel in de zorginstelling van Sensire is verbleven.
5.11
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [betrokkene] recht heeft op een schadevergoeding naar billijkheid voor de dag, namelijk 18 maart 2024, dat hij zonder geldige titel in de zorginstelling verbleef.”
2.16
Betrokkene heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Sensire heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.