ECLI:NL:PHR:2026:741
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/00174
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Belastingrecht
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; koepelvrijstelling; artt. 131 en 132(1)f Btw-richtlijn; art. 11(1)u Wet OB in samenhang met art. 11(8) Wet OB en art. 9a Uitvoeringsbeschikking OB; verstoring van concurrentie; is de beperking van de koepelvrijstelling in art. 9a Uitvoeringsbeschikking OB geoorloofd?
Uitspraak
1 Overzicht
Inleiding
1.1
Deze zaak gaat over de vrijstelling van omzetbelasting voor zogenoemde ‘koepels’. Die vrijstelling, die in de nationale wet is opgenomen in art. 11(1)u Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), geldt voor diensten van een zelfstandige groepering aan haar leden. De met voornoemde bepaling corresponderende richtlijnbepaling heeft tot doel personen die vrijgestelde activiteiten verrichten of activiteiten waarvoor zij niet-belastingplichtig zijn, met andere personen te laten samenwerken in een gemeenschappelijke structuur, ‘de koepel’, die bepaalde met het oog op die verrichtingen noodzakelijke activiteiten voor haar rekening neemt, zonder dat btw verschuldigd wordt.
1.2
In deze faciliteit schuilt het gevaar van concurrentieverstoring. Om dat gevaar te ondervangen, bepaalt art. 132(1)f Btw-richtlijn dat de vrijstelling niet tot een dergelijke verstoring mag leiden. In Nederland is aan deze voorwaarde gevolg gegeven door in een ministeriële regeling een aantal specifieke prestaties van toepassing van de koepelvrijstelling uit te sluiten, onder meer het ontwikkelen van geautomatiseerde ICT-systemen en de daarvoor benodigde programmatuur. Die regeling is opgenomen in art. 9a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (Uitvoeringsbeschikking).
1.3
In de loop der jaren hebben diverse auteurs vraagtekens gezet bij de verenigbaarheid van deze nationale uitsluitingen met de Zesde Richtlijn en, later, de Btw-richtlijn. Een zaak waarin die vraag aan de orde wordt gesteld, had de Hoge Raad echter nog niet bereikt. Tot deze zaak.
1.4
Belanghebbende is een samenwerkingsverband (gemeenschappelijke regeling) tussen waterschappen dat diensten aan de deelnemers verricht. Voor zover in cassatie nog van belang, is de btw-behandeling in geschil van een drietal ICT-diensten die worden aangeduid als ‘CERT-WM’, ‘Modernisering Vangstregistratie’ en ‘WILMA’.
1.5
De rechtbank Gelderland (de Rechtbank) oordeelt dat deze diensten geen ICT-diensten zijn als bedoeld in art. 9a Uitvoeringsbeschikking, zodat toepassing van de koepelvrijstelling op de door belanghebbende verrichte diensten niet leidt tot een verstoring van de concurrentieverhoudingen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) komt via een andere route tot dezelfde slotsom. Het overweegt dat de Nederlandse regelgever met art. 9a Uitvoeringsbeschikking een algemeen vermoeden heeft gevestigd dat sprake is van concurrentieverstoring met betrekking tot de daar genoemde diensten en dat dit niet strookt met de richtlijnbepaling. Het Hof neemt vervolgens tot uitgangspunt dat per dienst die belanghebbende aan de deelnemende waterschappen verricht, moet worden beoordeeld of sprake is van concurrentieverstoring. CERT-WM is volgens het Hof niet concurrentieverstorend, nu voor die dienst niet een markt bestaat. Modernisering Vangstregistratie en WILMA zijn ICT-oplossingen waarvoor wel een gevaar voor verstoring van de concurrentie bestaat, nu marktpartijen deze diensten in beginsel ook kunnen verrichten. Toch is naar ’s Hofs oordeel geen sprake van concurrentieverstoring, omdat het verlenen van een vrijstelling niet tot gevolg heeft dat onafhankelijke marktdeelnemers van de markt worden uitgesloten. Het Hof legt aan dat oordeel onder meer ten grondslag dat tussen partijen niet in geschil is dat tot op heden geen van de deelnemers aanleiding heeft gezien zich terug te trekken uit de gemeenschappelijke regeling, ook al is belanghebbende met ingang van 1 januari 2019 (na intrekking van een eerdere toezegging) haar diensten met omzetbelasting gaan factureren. Het Hof concludeert dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de koepelvrijstelling, zodat deze vrijstelling van toepassing is op de onderwerpelijke diensten.
1.6
De Staatssecretaris komt in cassatie en stelt één middel van cassatie voor dat uiteenvalt in drie onderdelen. Het eerste middelonderdeel richt zich tegen het oordeel dat de Nederlandse regelgever met het bepaalde in art. 9a Uitvoeringsbeschikking een algemeen vermoeden heeft gevestigd dat de benoemde diensten leiden tot concurrentieverstoring en dat zulks niet valt te rijmen met de richtlijnbepaling. Het voert aan dat dat oordeel inhoudt dat Nederland de werkingssfeer van de vrijstelling ‘in algemene termen’ heeft beperkt en dat het oordeel onjuist is omdat de Nederlandse regelgever enkel specifieke diensten van de vrijstelling heeft uitgezonderd, te weten diensten die naar hun aard tot concurrentieverstoring kunnen leiden. Het tweede en derde middelonderdeel voeren aan dat de door het Hof gebezigde motivering onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat met betrekking tot deze diensten geen reëel gevaar bestaat dat de vrijstelling op korte termijn of in de toekomst tot concurrentievervalsing kan leiden.
Opbouw
1.7
De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties en in onderdeel 3 het verloop van het geding in cassatie. Daarna bespreek ik in onderdeel 4 het rechtskader van de koepelvrijstelling, waaronder de voorwaarden die daaraan volgens de Btw-richtlijn respectievelijk de Nederlandse regeling (kunnen) worden gesteld. In onderdeel 5 behandel ik de vraag of de Nederlandse beperkingen van de koepelvrijstelling verenigbaar zijn met de Btw-richtlijn. In onderdeel 6 beoordeel ik tot slot de motiveringsklachten die het middel aanvoert.
Slotsom
1.8
Ik kom tot de slotsom dat het eerste middelonderdeel faalt. Art. 11(8) Wet OB en art. 9a Uitvoeringsbeschikking brengen mee dat de aangewezen diensten naar hun aard van de toepassing van de koepelvrijstelling worden uitgesloten. Dat gebeurt automatisch en onvermijdelijk, ongeacht of in een concrete situatie een reëel gevaar bestaat dat de vrijstelling op zich op korte termijn of in de toekomst tot concurrentievervalsing kan leiden. De Nederlandse regelgever definieert daarmee een van de voorwaarden van de vrijstelling van art. 132(1)f Btw-richtlijn, te weten de voorwaarde omtrent verstoring van de concurrentieverhoudingen. Die bepaling geeft de lidstaten niet die ruimte. Weliswaar staat art. 131 Btw-richtlijn de lidstaten toe vereenvoudigingsmaatregelen te treffen, maar deze mogen volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie geen betrekking hebben op de definitie van de inhoud van de vrijstellingen waarin de Btw-richtlijn voorziet. Dat is wel het gevolg van de regeling in art. 11(8) Wet OB en art. 9a Uitvoeringsbeschikking. Zij vestigt namelijk een algemeen vermoeden dat bij het verlenen van de aangewezen diensten door zelfstandige groeperingen van personen sprake is van concurrentieverstoring en beperkt zodoende in algemene termen de vrijstelling door die leveringen of diensten principieel uit te sluiten van de vrijstelling. Dat is Unierechtelijk niet toegestaan. De Nederlandse regelgever heeft aldus de bevoegdheid die art. 131 Btw-richtlijn aan de lidstaten verleent, overschreden.
1.9
Het derde middelonderdeel mist ook doel. Het middelonderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting over het bestaan van een reëel gevaar voor (toekomstige) concurrentieverstoring. Het middelonderdeel miskent dat toepassing van de vrijstelling niet tot concurrentieverstoring leidt als een samenwerkingsverband ook zonder de vrijstelling haar leden als klanten kan behouden. ’s Hofs oordeel is op dit punt ook voldoende gemotiveerd. Gelet op dit oordeel kan ook het tweede middelonderdeel niet tot cassatie leiden. Het middel faalt dus.
1.10
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.