2 De namens de verdachte voorgestelde middelen van cassatie
2.1
Aanvankelijk is door de steller van het middel een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingediend. Op 13 juni 2025 is (tijdig) een aanvullende schriftuur ingediend met daarin een vierde middel van cassatie, dat op 29 december 2025 (eveneens tijdig) is voorzien van een schriftelijke toelichting. Ik bespreek het later ingediende (vierde) middel als eerste, nu dat middel zich richt tegen de verwerping van het door de verdediging gevoerde ontvankelijkheidsverweer.
3. Het vierde middel
3.1
Het middel keert zich tegen het onder 3 bewezenverklaarde en klaagt dat de verwerping van het ontvankelijkheidsverweer is gestoeld op gronden die de verwerping niet kunnen dragen en/of het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
3.2
Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:
“3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 januari 2019 tot en met 28 februari 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door, nadat voornoemde [benadeelde] de relatie met hem, verdachte, had beëindigd:
- meermalen telefonisch (via whatsapp) berichten (tekst en/of afbeeldingen) naar voornoemde [benadeelde] te sturen en/of
- meermalen te bellen naar voornoemde [benadeelde] en/of (een) bericht(en) in te spreken en/of
- meermalen brieven/briefjes in de brievenbus van voornoemde [benadeelde] te doen, met daarin onder meer tekst(ten) van dreigende en/of seksuele en/of beledigende aard,
(telkens) met het oogmerk voornoemde [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.”
3.3
Het hof heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:
“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde
De raadsvrouw van de verdachte heeft overeenkomstig haar pleitnota bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde, omdat het gaat om een oude zaak en de verdachte gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat sprake was van een politiesepot. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar een verhoor van de verdachte op 27 juli 2020 waarin door een verbalisant is gezegd dat de betreffende zaak is geseponeerd.
Met de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat dit verweer niet slaagt. De mededeling die door de verbalisant is gedaan, kan niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben opgewekt dat de verdachte niet verder zou worden vervolgd voor het onder 3 tenlastegelegde. Een beslissing over de vervolging kan alleen door de officier van justitie worden genomen. Op geen enkele wijze is gebleken dat de mededeling van de verbalisant aan de officier van justitie kan worden toegerekend. Uit het dossier blijkt overigens ook niet dat de officier van justitie een kennisgeving van niet verdere vervolging heeft doen uitgaan in de betreffende zaak. Een politiesepot zoals bedoeld door de raadsvrouw was destijds al jaren afgeschaft. Het hof acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.”
3.4
Naar aanleiding van het verzoek van de steller van het middel is een e-mailbericht van een politiemedewerker aan de aangeefster d.d. 5 april 2019 aan het cassatiedossier toegevoegd. Dit bericht houdt in:
“Gesprek met [verdachte]
[verbalisant 1]
Vr 5-4-2019 19:56
Aan: ' [benadeelde] '
Goedenavond [benadeelde]
Ik heb gisterenmorgen (Donderdag 4 april) een gesprek in persoon gehad met uw ex-vriend [verdachte] .
Hij verklaarde niet te weten dat zijn aandacht naar u ongewenst was en ook de briefjes wist hij niet dat u dat absoluut niet wilde.
Ik heb hem nu gezegd dat er bij de eerst volgende melding van uw zijde een daadwerkelijk onderzoek gestart zal worden aangaande stalking en dat wij hem daarvoor zullen moeten aanhouden. Hij heeft beloofd dit goed te begrijpen en hij wil geen problemen meet met Justitie en Politie want sinds kort heeft hij zelfstandig een woning in Noord en hij wil op de goeie weg blijven.
Laat u mij bij het minste en geringste weten want dan kunnen wij er kort op zitten.
Met vriendelijke groet
[verbalisant 1] (Wijk agent)
Bijlmermuseumbuurt
Inspecteur van Nationale Politie
Eenheid Amsterdam ”
3.5
Uit het eveneens bij het cassatiedossier gevoegde proces-verbaal van verhoor verdachte blijkt onder meer het volgende:
“[…]
V: De zaak van [benadeelde] is geseponeerd.
A: Ik heb daar straf voor gekregen toch?
V: Nee.
A: En die taakstraf dan?
V: Dat is pas n.a.v. een latere aangifte van bedreigingen.”
3.6
Aan het openbaar ministerie is in art. 167 lid 1 Sv de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Die beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel.
3.7
Zo lang er nog geen rechter betrokken is in de zaak – zodat de formele vervolging nog niet is gestart – kan de officier van justitie op grond van art. 167 lid 2 Sv besluiten om van vervolging af te zien (“informeel sepot”). Een dergelijk sepot is niet in de wet geregeld. Het openbaar ministerie is op grond van het vertrouwensbeginsel in beginsel gebonden aan de door het openbaar ministerie gedane – of aan deze toe te rekenen – toezegging om niet te vervolgen, mits die toezegging bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet zal worden vervolgd.
3.8
Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of de verdachte erop mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd voor het onder 3 tenlastegelegde (de belaging van aangeefster [benadeelde] ). De steller van het middel meent van wel en wijst daartoe onder meer op de inhoud van het onder randnummer 3.4 weergegeven e-mailbericht.
3.9
Naar mijn oordeel heeft de verdachte uit hetgeen volgens dit bericht door de wijkagent aan de verdachte is medegedeeld, niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen en mogen ontlenen dat hij niet vervolgd zou gaan worden. Uit dat bericht of anderszins blijkt allereerst niet dat de door de betreffende wijkagent gedane mededeling aan de verdachte aan het openbaar ministerie kan worden toegerekend. Verder sluit het doen van een ‘daadwerkelijk onderzoek’ na een ‘eerst volgende melding’ niet uit dat incidenten van vóór de gedane mededeling alsnog zullen worden vervolgd.
3.10
Met betrekking tot de mededeling die tijdens het verhoor van de verdachte is gedaan, is van belang dat er geen sprake is geweest van een ‘toezegging om niet te vervolgen’, maar van een mededeling van de politie dat de zaak van [benadeelde] is geseponeerd en dat aan de verdachte een taakstraf is opgelegd naar aanleiding van een latere aangifte van bedreigingen. Naar mijn oordeel is deze mededeling van een verhorend verbalisant niet een ‘toezegging’ die aan het openbaar ministerie kan worden toegerekend en die bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet zal worden vervolgd. Daarbij betrek ik dat de verdachte ten aanzien van de belaging een bekennende verklaring heeft afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en daar in hoger beroep niet op terug is gekomen. Tot slot wijs ik erop dat het uittreksel justitiële documentatie in het geheel geen gewag maakt van een opgelegde taakstraf naar aanleiding van ‘een latere aangifte van bedreigingen’.
3.11
Gelet op het vorenstaande getuigt de verwerping van het verweer door het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is die verwerping evenmin onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
3.12
Het middel faalt.
4. Het eerste middel
4.1
Het middel keert zich tegen het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde en bevat de klacht dat de bewezenverklaring in strijd met art. 342 lid 2 Sv is gebaseerd op één getuigenverklaring welke onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen, althans dat het oordeel van het hof over dat ‘steunbewijs’ onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed en het hof heeft verzuimd te responderen op door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair en 2 bewezenverklaard dat:
“1 primair
hij op 6 en/of 7 januari 2020 te [plaats] , door geweld en bedreiging met geweld, [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [aangeefster] , immers heeft hij, verdachte:
- voornoemde [aangeefster] dreigend de woorden toegevoegd: "Er gaan doden vallen, jij gaat mij oraal bevredigen" en "Doe wat je moet doen, jij gaat mij gewoon bevredigen, doe wat ik zeg", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- voornoemde [aangeefster] een mes getoond en in haar nek gedrukt en
- zijn penis in de mond van voornoemde [aangeefster] gebracht en
- zijn vingers hardhandig in de vagina van voornoemde [aangeefster] gebracht en
- in/aan de tepels van voornoemde [aangeefster] getrokken en geknepen;
2.
hij op 6 en 7 januari 2020 te [plaats] , opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door:
- de deur van de woning waarin hij zich met voornoemde [aangeefster] bevond, met een sleutel af te sluiten en de sleutel uit het zicht van voornoemde [aangeefster] te houden en
- voornoemde [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen: "Vandaag ga je nergens naartoe. Als ik je dood moet maken, maak ik je dood" en
- voornoemde [aangeefster] een mes te tonen en in haar nek te drukken”.
4.3
De bewezenverklaring van het hof steunt op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“Ten aanzien van de feiten 1 en 2
1. Een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van 8 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 5-9.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaringen van de verbalisanten, of van één van hen, omtrent wat [aangeefster] aan hen heeft verklaard:
Maandag 6 januari 2020 omstreeks 19:00 uur was [aangeefster] bij het huis van [verdachte] . Zij opende zijn deur met de sleutel die zij eerder van hem heeft gekregen. [verdachte] stond bij de deur alsof hij haar aan het opwachten was. [verdachte] zei tegen [aangeefster] dat hij haar spullen al in tassen had gepakt en vroeg zijn sleutel terug. [aangeefster] gaf hem de sleutel. [verdachte] deed de deur opeens op slot en zei tegen [aangeefster] dat ze moest blijven.
[verdachte] ging naar de keuken en pakte een mes. [verdachte] zei toen: "Er gaan doden vallen. Jij gaat mij oraal bevredigen". [verdachte] kwam daarbij dreigend op [aangeefster] af. [aangeefster] hoorde [verdachte] zeggen: "doe wat je moet doen bitch”. Hij deed vervolgens zijn broek naar beneden. Hij zei tegen [aangeefster] : “Hou je bek! Kom hier en doe wat je moet doen!”. [aangeefster] heeft hem toen oraal bevredigd. [aangeefster] zei dat ze weg wilde, [verdachte] zei dat ze moest blijven en volgde elke beweging die [aangeefster] maakte. Zij zag geen mogelijkheid om weg te komen. [aangeefster] vroeg of ze weg kon. [verdachte] zei tegen haar: “Je gaat nergens naartoe. Je bent nog niet klaar. Ik ben nog niet klaargekomen". Toen duwde hij het mes in de nek van [aangeefster] . [verdachte] zei dat ze niet zoveel moest praten en moest doen wat ze moest doen. [aangeefster] moest zich van [verdachte] uitkleden en in de slaapkamer op bed liggen. [verdachte] ging naast haar staan en ging haar overal aanraken, onder andere bij haar borsten en ging met zijn vingers in haar vagina. Hij ging hardhandig te keer. [aangeefster] was erg bang.
Het is gebeurd op de [a-straat] te [plaats] tussen maandag 6 januari 2020 om 19:00 uur en dinsdag 7 januari 2020 om 02:30 uur. [aangeefster] heeft een apostel van de kerk gebeld, genaamd [getuige 1] .
Letsel: lichte snee in nek.
2. Een proces-verbaal aangifte van 29 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 31-36.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [aangeefster] :
Ik wil aangifte doen tegen [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1961 te Suriname. Op maandag 6 januari 2020 was ik bij [verdachte] thuis om mijn spullen te halen. Ik ging naar binnen met de sleutel die ik had gekregen. Ik moest de sleutel achterlaten bij hem. Hij draaide de deur op slot en ik kon niet zien waar de sleutel bleef. Hij zei dat ik nergens heen zou gaan en ik moest blijven.
Ik kon geen kant op, hij blokkeerde de weg naar de uitgang. Ik moest naar de slaapkamer en mij uit kleden. Ik heb hem oraal bevredigd. Ik stopte en ik liep naar de gang, maar hij trok mij weer terug. Ik vroeg of ik naar huis mocht, dit mocht niet van hem. Ik durfde niets te doen. Ik kon niet weg.
Hij wilde de deur niet openmaken. Hij hield het mes voor mijn gezicht en ze dat ik niet weg zou gaan. Hij zei: “Vandaag ga je nergens naartoe. Als ik je dood moet maken dan maak ik je dood” en hij zette het mes tegen mijn nek aan. Ik was bang. Ik moest naar de slaapkamer om mij uit te kleden. Ik moest hem oraal bevredigen. Hij ging hardhandig over mijn vagina en vingerde mij heel hardhandig. Hij deed ook hardhandig met mijn borsten; er in knijpen en aan mijn tepels trekken.
3. Een proces-verbaal getuigenverhoor van 22 juli 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 58-61.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1] :
Ik ken [aangeefster] van de kerk. Het was laat in de avond dat [aangeefster] belde. Zij heeft verteld dat er iets gebeurd was tussen [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) toen ze haar kleding bij hem ging halen. Ze was in de war, bevend en angstig. Later kwam ze bij mij thuis en vertelde ze dat [verdachte] haar had gedwongen tot seks en dat hij haar had bedreigd.
4. Een geschrift, zijnde de bijlage van het proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2020 met daarin afgebeeld de verzonden berichten tussen de verdachte en aangeefster [aangeefster] , doorgenummerde pagina’s 48-57.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[05-01-2020 22:59:30] [verdachte] : “Maakt mij niks uit ik ben een levensgenieter in die zin van een vrouw hebben die alles doet wat ik naar verlang (..)".
[07-01-2020 23:39:19] [verdachte] : “Ik weet ik ga nooit meer zo'n goede liefde volle en zorgzame vrouw vinden mogen God mij vergeven en ik heb 1000 jaar spijt en berouw wat ik jou heb aangedaan"(..) “ik schaam mij eigen diep en mijn zusters en kinderen en familie zijn diep in mij teleurgesteld het was een domme actie"(..).
5. Een geschrift, zijnde een medische verklaring van huisartsenpraktijk [...] gedagtekend 14 februari 2020, doorgenummerde pagina 217.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[aangeefster] , Hals onder het oor horizontale streepvormige afwijking van 3,5 cm lang en 2 mm breed, rood iets verheven centraal crusta (het hof begrijpt: korst).
6. Een proces-verbaal aangifte van 15 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 62-65:
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Als [verdachte] cocaïne had gebruikt, dwong hij mij tot seks. Deed ik dat niet dan pakte hij een mes om mij te intimideren.”
4.4
Het hof heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:
“Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitnota bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, omdat - kort gezegd - de verklaringen van de aangeefster [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ) niet betrouwbaar zijn en het dossier onvoldoende steunbewijs bevat. Voorts heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving nu [aangeefster] op diverse momenten heeft kunnen wegvluchten dan wel hulp heeft kunnen inschakelen. […]
Oordeel van het hof
Het hof ziet zich, mede in het licht van de door de raadsvrouw gevoerde bewijsverweren, gesteld voor de vraag of de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar zijn en of deze verklaringen - onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 342, tweede lid, Sv - voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Deze vragen lenen zich met betrekking tot het in deze zaak onder 1 en 2 ten laste gelegde voor een gezamenlijke bespreking.
Verklaringen [aangeefster]
heeft, ten overstaan van de politie in het “informatief gesprek zeden” van 8 januari 2020 en in haar aangifte van 29 januari 2020 verklaringen afgelegd. De strekking van deze verklaringen is - samengevat - de volgende.
Op maandag 6 januari 2020 omstreeks 19:00 uur was [aangeefster] bij het huis van de verdachte om haar spullen op te halen. [aangeefster] opende de deur met de huissleutel die ze van de verdachte had gekregen. De verdachte stond haar binnen bij de deur op te wachten. Op verzoek van de verdachte gaf [aangeefster] de sleutel terug aan de verdachte. De verdachte deed de deur achter [aangeefster] op slot en zei tegen haar dat ze moest blijven. [aangeefster] kon niet zien waar de sleutel vervolgens bleef. Zij zag dat de verdachte naar de keuken ging en een mes pakte. De verdachte zei toen: "Er gaan doden vallen. Jij gaat mij oraal bevredigen". De verdachte kwam daarbij dreigend op [aangeefster] af. De verdachte zei: "Doe wat je moet doen bitch". De verdachte deed zijn broek naar beneden, waarop de verdachte zei: "Hou je bek! Kom hier en doe wat je moet doen!".
[aangeefster] heeft de verdachte toen oraal bevredigd. Zij zag geen mogelijkheid om weg te komen, omdat de verdachte haar in de gaten bleef houden. Toen [aangeefster] vroeg of ze weg mocht, zei de verdachte: "Je gaat nergens naartoe. Je bent nog niet klaar. Ik ben nog niet klaargekomen." Op dat moment duwde de verdachte het mes in de nek van [aangeefster] . De verdachte zei dat [aangeefster] niet zoveel moest praten en moest doen wat ze moest doen. Ze moest zichzelf uitkleden van de verdachte en in de slaapkamer op bed gaan liggen. De verdachte heeft hardhandig in de tepels van [aangeefster] geknepen en aan haar tepels getrokken. Vervolgens is hij met zijn vingers in haar vagina gegaan. De verdachte ging daarbij hardhandig tekeer. [aangeefster] was erg bang.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster]
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van hetgeen [aangeefster] heeft verklaard. Haar verklaringen zijn naar het oordeel van het hof op hoofdlijnen consistent, gedetailleerd en komen authentiek over. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd ter zake van de betrouwbaarheid van de aangeefster doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af. Daarbij betrekt het hof het navolgende.
Bewijsminimum
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige vermelde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is het hof van oordeel dat van een situatie zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv, geen sprake is, omdat het bewijs dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan niet uitsluitend wordt aangenomen op basis van de verklaringen van [aangeefster] .
Zo wordt de verklaring Van [aangeefster] over het jegens haar toegepaste geweld en bedreiging met geweld (het tonen van een mes en het drukken van een mes in de hals), ondersteund door de letselverklaring, alsmede door de verbalisant die bij het informatief gesprek met [aangeefster] op 8 januari 2020 in haar hals letsel heeft waargenomen. Het hof is van oordeel dat het bij [aangeefster] geconstateerde letsel past bij de geweldshandelingen die zij heeft beschreven.
Daar komt bij dat de verdachte na de seksuele handelingen [aangeefster] – in de late avond van 7 januari 2020 – een WhatsApp-bericht heeft gestuurd met de tekst: Ik weet ik ga nooit meer zo‘n goede liefde volle en zorgzame vrouw vinden mogen God mij vergeven en ik heb 1000 jaar spijt en berouw wat ik jou heb aangedaan. Ik schaam mij eigen diep. Het hof gaat ervan uit dat deze excuses om veel meer gingen dan enkel de beledigende uitlatingen van de verdachte jegens [aangeefster] , zoals door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard.
Ook de berichten die de verdachte voorafgaand aan het incident aan [aangeefster] heeft verstuurd, zoals: jij doet wat jij moet doen en ik ben een levensgenieter in die zin van een vrouw hebben die alles doet wat ik naar verlang ondersteunen de verklaring van [aangeefster] op het punt van de dwang die de verdachte heeft toegepast.
Het hof wijst verder op de verklaring van de aangeefster van het onder 3 tenlastegelegde die naar voren heeft gebracht dat de verdachte ook in hun relatie onder invloed van cocaïne onder bedreiging met een mes seksueel contact kon afdwingen. Deze aangeefster en [aangeefster] kennen elkaar niet. Hetgeen deze aangeefster heeft verklaard, komt in dit opzicht overeen met de verklaringen van [aangeefster] . Tot slot vinden de verklaringen van [aangeefster] steun in de verklaring van de getuige [getuige 1] , die heeft verklaard dat [aangeefster] haar meteen na het incident heeft gebeld. Zij was in genoemd gesprek in de war, bevend en angstig en later die dag heeft [aangeefster] haar verteld wat er was gebeurd, aldus [getuige 1] .
Hiermee staan de verklaringen van [aangeefster] niet op zichzelf, maar zijn ingebed in een concrete context die op essentiële onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig uit andere bronnen. Aan het wettelijke bewijsminimum is daarom voldaan. De bevestiging van de verklaringen van [aangeefster] door andere bewijsmiddelen ondersteunt bovendien de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat [aangeefster] op meerdere momenten de mogelijkheid had om weg te komen, merkt het hof in het bijzonder nog het volgende op. Het feit dat de verdachte de deur achter de [aangeefster] op slot draaide, de sleutel voor haar verborgen hield en hij haar dreigend met een mes vertelde dat zij nergens naartoe zou gaan, maakt al dat sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De door de raadsvrouw naar voren gebrachte omstandigheid dat [aangeefster] meerdere kansen heeft gehad om weg te komen, doet daaraan niet af.
Het hof acht op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ten aanzien van [aangeefster] schuldig heeft gemaakt aan verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve in al haar onderdelen verworpen.”
4.5
Het middel klaagt – zoals aangegeven – in de eerste plaats dat de bewezenverklaring in strijd met art. 342 lid 2 Sv is gebaseerd is op één getuigenverklaring welke onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
4.6
Volgens art. 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat art. 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.
4.7
Het hof heeft zijn bewezenverklaring niet enkel gebaseerd op de verklaring van aangeefster (als bron). Om te beginnen wordt de bewezenverklaring van beide feiten volgens het hof immers ondersteund door het door een verbalisant op 8 januari 2020 waargenomen letsel (bewijsmiddel 1) en door de medische verklaring van de huisarts (bewijsmiddel 5). Daarnaast wordt de bewezenverklaring ondersteund door een screenshot van de door de verdachte aan aangeefster verstuurde berichten van 5 en 7 januari 2020 (bewijsmiddel 4) de verklaring van de getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 3) en tot slot door een verklaring van de getuige [benadeelde] (bewijsmiddel 6). Het oordeel van het hof dat de verklaring van aangeefster in die bewijsmiddelen steun vindt, acht ik – mede in het licht van de motivering van het hof – niet onbegrijpelijk en is evenmin onvoldoende met redenen omkleed. Daaraan doet niet af dat de steller van het middel in haar schriftuur verschillende klachten aanvoert tegen de individuele bewijsmiddelen die door het hof zijn aangemerkt als steunbewijs voor de aangifte. Daarmee gaat zij er immers aan voorbij dat de bewezenverklaring is gebaseerd op het steunbewijs in onderling verband en samenhang bezien en dat het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan.
4.8
Verder heeft te gelden dat voor zover het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat in de kern inhoudt dat vrijspraak moet volgen omdat de aangifte van aangeefster steunbewijs ontbeert en onbetrouwbaar is – in het kader waarvan ten aanzien van de individuele bewijsmiddelen verweren zijn gevoerd – het hof niet gehouden is op alle onderdelen van dat standpunt in te gaan, mits maar voldoende gerespondeerd wordt op de kern van dat standpunt. Naar mijn oordeel heeft het hof dan ook in voldoende mate gereageerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.
4.9
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
5.1
Het middel richt zich tegen de beslissing tot opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis en bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd de verdachte te horen voorafgaand aan deze beslissing en de beslissing onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
5.2
Over een dergelijk in een eindarrest opgenomen bevel kan in cassatie op zich worden geklaagd, maar een bespreking van die klacht vergt een rechtens te respecteren belang. Naar mijn mening ontbreekt dat belang in deze zaak.
5.3
Als de Hoge Raad de strekking van mijn conclusie volgt en het beroep ten aanzien van de overige namens de verdachte voorgestelde middelen verwerpt, zal het arrest en daarmee de opgelegde gevangenisstraf onherroepelijk worden. Met het onherroepelijk worden van de bij arrest opgelegde straf, zal geen sprake meer zijn van voorlopige hechtenis.
5.4
Het middel dient bij gebrek aan rechtens te respecteren belang buiten bespreking te blijven.
6. Het derde middel
6.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn van inzending in de cassatieprocedure als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.
6.2
Op 17 juli 2024 is beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. De stukken van het geding zijn vervolgens op 1 april 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Gelet hierop zijn de stukken niet binnen de (redelijke) termijn van acht maanden ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, zodat het middel terecht is voorgesteld.
6.3
Ambtshalve wijs ik er verder op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren na het instellen van beroep in cassatie, zodat ook de redelijke termijn van berechting in de cassatiefase wordt overschreden.