ECLI:NL:RBAMS:2026:7026
Rechtbank Amsterdam
- Uitspraak
- 6 juli 2026
- Zaaknummer
- 12045526 \ CV EXPL 26-190
- Rechtsgebied
- Civiel recht; Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proceskostenveroordeling, Proces-verbaal
Inhoudsindicatie
Vordering van zoon om de huurovereenkomst van zijn overleden vader voort te zetten, afgewezen. In reconventie wordt de ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad toegewezen.
Uitspraak
1 De gronden van de beslissing
In conventie
1.1.
De discussie tussen partijen richt zich op de vraag of sprake is geweest van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser] en zijn vader. Gelet op de leeftijd van [eiser] (38 jaar) en de omstandigheid dat hij naar de woning van zijn vader is teruggekeerd, is niet zonder meer sprake van een kind dat op zeker moment weer zal uitvliegen.
1.2.
[eiser] heeft zijn stellingen onderbouwd met de stelling dat hij van eind 2022 tot aan het overlijden van zijn vader in de woning heeft gewoond. Aanvankelijk omdat zijn relatie was stukgelopen en hij geen verblijfplaats had, maar al snel omdat hij als mantelzorger voor zijn vader kon fungeren. Toen dat laatste niet langer nodig was, is hij duurzaam en gemeenschappelijk blijven wonen met zijn vader. Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser] verklaringen van derden overgelegd en gewezen op de maandelijkse bijdrage van € 150 in de kosten. Ook heeft hij vanaf het overlijden de huur zelf betaald. Dat is niet altijd op tijd gegaan, maar intussen met hulp van de bewindvoerder (die zijn financiën beheert) loopt dit goed, aldus steeds [eiser].
1.3.
Hiertegenover heeft Rochdale erop gewezen dat [eiser] in het verleden al meerdere keren voor enkele jaren bij zijn vader op dit adres heeft gewoond en dat hij telkens weer is weggegaan. Het is bovendien de vraag of hij er wel woont, gelet op de bevindingen van een huisbezoek dat door Rochdale is uitgevoerd, waarbij anderen dan [eiser] of zijn vader in de woning zijn aangetroffen. Verder wijst Rochdale op de verklaring van de moeder van [eiser] waarin zij stelt dat haar ex-man en zoon langere tijd bij haar verbleven. En daar komt bij dat een medewerker van Rochdale heeft verklaard dat de vader enkele malen bij haar is langsgekomen met een hulpvraag: hij wilde dat zijn zoon uit de woning vertrok, althans, hij zelf wilde graag zonder zijn zoon verhuizen naar een andere woning.
1.4.
Dat het niet de bedoeling was dat [eiser] bij zijn vader zou blijven wonen blijkt volgens Rochadele verder uit het voortdurend zoeken van [eiser] naar een andere huurwoning. In de periode van 22 november 2022 tot en met 21 april 2024 heeft hij op liefst 70 woningen gereageerd.
1.5.
Tot slot wijst Rochdale op de verplichte afwijzingsgronden van art 7:268 lid 3 BW. Een daarvan is het ontbreken van voldoende financiële draagkracht. Dat is hier aan de hand, gelet op de huurachterstand van € 2.164, wat neerkomt op een achterstand van bijna 4 huurtermijnen.
1.6.
Tegen de achtergrond van al hetgeen Rochdale heeft aangevoerd, heeft [eiser] onvoldoende kunnen aantonen dat sprake is geweest van een duurzame en gemeenschappelijke huishouding tussen hem en zijn vader in de zin van art 7:268 BW. Met name het vele reageren door [eiser] op mogelijke huurwoningen, het gegeven dat zijn vader kennelijk meerdere malen, en ook nog enkele maanden voor zijn overlijden, bij Rochdale heeft verzocht om een alternatieve huurwoning, omdat hij ergens anders zonder zijn zoon wilde wonen en het feit dat [eiser] onvoldoende financiële draagkracht toont, zijn hierbij redengevend. Dat de huurachterstand mogelijk deels dateert van de periode dat zijn vader nog leefde, maakt dit niet anders. Temeer nu hij zelf stelt dat hij toen een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn vader voerde. De door [eiser] overgelegde verklaringen leggen onvoldoende gewicht in de schaal, ook omdat deze te algemeen en weinig concreet zijn, en in twee gevallen zelfs identiek.
1.7.
Het voorgaande betekent dat de vordering in conventie wordt afgewezen.
1.8.
Het betekent ook dat [eiser] zonder recht of titel in de woning verblijft.
In reconventie
1.9.
Omdat, zoals hiervoor is overwogen, niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 7:268 BW om de huur te mogen voortzetten, is de huurovereenkomst aan het einde van de zesde maand na het overlijden van de vader geëindigd, dus per 24 december 2025 (artikel 7:268 lid 6 BW). De door Rochdale gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden gesteld op 1 oktober 2026. [eiser] wordt daarmee in de gelegenheid gesteld om gedurende een langere periode vervangende woonruimte te zoeken. Bij het bepalen van deze ontruimingstermijn heeft de kantonrechter de gestelde kwetsbaarheid van [eiser] en zijn belangen meegewogen. Ook het belang dat [eiser] heeft bij de zorg voor zijn drie kinderen zijn daarbij betrokken. De begeleider van [eiser], de heer [naam 1], heeft overigens eerst ter zitting gesteld dat [eiser] deze kinderen heeft en dat deze [eiser] twee keer in de maand een weekend komen bezoeken. Dat deze drie tieners dan evenwel bij [eiser] in de woning van 33 m2 met één slaapkamer zouden verblijven, is niet aannemelijk. In zoverre is het belang van de kinderen in de beoordeling beperkt meegewogen.
1.10.
De eveneens door Rochdale gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad zal worden afgewezen. Op grond van artikel 7:268 lid 2 BW heeft een medebewoner het recht om in de woning te verblijven, totdat onherroepelijk is beslist op zijn tijdige vordering tot voortzetting van de huur ingevolge deze bepaling. Hieruit vloeit voort dat een ontruimingsveroordeling die in dit verband wordt uitgesproken, in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Dit kan in uitzonderlijke gevallen anders zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van recht. Daarvan is hier geen sprake. Het door Rochdale geopperde vermoeden dat [eiser] niet eens in de woning verblijft en deze zou onderverhuren, heeft in deze procedure onvoldoende handen en voeten gekregen om anders te oordelen. Het belang van [eiser] om zijn zaak eventueel in hoger beroep aan het hof voor te leggen zonder dat de situatie onomkeerbaar in zijn nadeel is veranderd, weegt hier zwaarder dan het belang van de andere woningzoekenden waar Rochdale voor opkomt.
Proceskosten in conventie en in reconventie
1.11.
[eiser] is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten) van Rochdale in deze procedure.
1.12.
De proceskosten van Rochdale in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
578,00
1.13.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden de proceskosten in reconventie op nihil gesteld.
1.14.
De proceskostenveroordeling zal wel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.