ECLI:NL:RBAMS:2026:7064
Rechtbank Amsterdam
- Uitspraak
- 7 juli 2026
- Zaaknummer
- 12159897 \ CV EXPL 26-4677
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proceskostenveroordeling, Proces-verbaal
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. De kantonrechter oordeelt dat de VU haar zorgplicht niet heeft geschonden. De vorderingen van eiser worden afgewezen.
Uitspraak
1 De beoordeling
Bevoegdheid
1.1.
[eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de VU onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld dan wel tekort is geschoten in de nakoming van de onderliggende onderwijsovereenkomst door haar zorgplicht niet goed na te komen. De civiele rechter is dus bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Met dit oordeel is echter nog niet gegeven dat [eiser] ontvankelijk is in haar vorderingen.
Ontvankelijkheid
1.2.
Voor de beoordeling van die ontvankelijkheid is de taakverdeling tussen de civiele rechter enerzijds en de bestuursrechter anderzijds van belang. De keuze tussen de civiele rechter of de bestuursrechter staat niet ter vrije bepaling van partijen. De rechter dient deze taakverdeling ambtshalve te bewaken. Indien de wet een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft aangewezen waarin de gestelde onrechtmatigheid of tekortkoming kan worden beoordeeld, resteert geen taak meer voor de civiele rechter, ook al is deze bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
1.3.
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) voorziet namelijk in een eigen stelsel van rechtsbescherming voor studenten. De artikelen 7.59a tot en met 7.68 WHW regelen de interne rechtsbescherming, waaronder de mogelijkheid van bezwaar tegen beslissingen op grond van de WHW en daarop gebaseerde regelingen. Na een beslissing op bezwaar staat op grond van artikel 7.66 WHW beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een College van beroep bijzonder onderwijs.
1.4.
In deze procedure gaat het er echter niet om of de VU wel of niet terecht de scriptie met een onvoldoende heeft beoordeeld, maar of de VU haar zorgplicht heeft geschonden. [eiser] stelt namelijk dat de VU onrechtmatig heeft gehandeld bij de wijze waarop zij [eiser] bij deze scriptie heeft begeleid. Daarbij gaat het om vermeend onrechtmatig feitelijk handelen en kan [eiser] dit aan de civiele rechter voorleggen. [eiser] is dus ontvankelijk in haar vordering.
Onderwijsovereenkomst
1.5.
In de dagvaarding van [eiser] wordt de vraag of er wel of niet sprake is van een onderwijsovereenkomst in het midden gelaten. Op grond van wat hierna wordt overwogen kan die vraag inderdaad in het midden worden gelaten.
De zorgplicht van de VU
1.6.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de VU haar zorgplicht heeft geschonden. De kantonrechter oordeelt dat de VU haar zorgplicht niet heeft geschonden. Hierna wordt uitgelegd waarom dit niet het geval is.
1.7.
Uit de correspondentie tussen [eiser] en [naam 2] (hierna: [naam 2]) blijkt namelijk niet dat [naam 2] [eiser] onvoldoende begeleiding heeft geboden. In deze correspondentie leest de kantonrechter namelijk dat [eiser] zelf een niet geschikt onderwerp voor haar scriptie heeft geformuleerd, dat [naam 2] – nadat de scriptie opzet een aantal keer op en neer is gegaan – zelf suggesties doet en dat [eiser] deze suggestie kennelijk anders geïnterpreteerd heeft dan [naam 2] bedoelde. Verder blijkt uit de correspondentie dat [eiser] kennelijk haast had bij het schrijven van haar scriptie, waardoor dit misverstand kan zijn ontstaan, maar dat kan de VU niet verweten worden. [eiser] schrijft op 24 mei 2025 aan [naam 2], nadat zij alle waarschuwingen van [naam 2] dat haar scriptie opzet ondermaats was had ontvangen, “voor mij is de scriptieopzet echter dus een gepasseerd station”, terwijl de kantonrechter begrijpt dat dit voor [naam 2] op dat moment nog niet een gepasseerd station was.
1.8.
[eiser] stelt dat [naam 2] haar geen adequate feedback heeft gegeven. De beoordeling daarvan door de kantonrechter is lastig, omdat zijn feedback op de verschillende concepten van haar scriptie opzet en de concepten van haar scriptie niet aan het procesdossier zijn toegevoegd. Daarom moet de kantonrechter het doen met de e-mails die [naam 2] aan [eiser] heeft gestuurd. Uit die e-mails maakt de kantonrechter op dat [naam 2] [eiser] wel steeds waarschuwt dat met deze opzet en afbakening van het onderwerp niet tot een voldoende gekomen kan worden (bijvoorbeeld zijn e-mails van 3, 14, 23 en 27 mei 2024). [eiser] heeft ondanks deze waarschuwingen zelf het risico genomen dat haar scriptie met een onvoldoende zou worden beoordeeld door op basis van alleen haar mondelinge toelichting van wat ze van plan was, te gaan schrijven en het concept van de scriptie in te leveren.
1.9.
Als de kantonrechter de feedback van de nieuwe eerste en tweede lezer op de uiteindelijke versie van de scriptie bekijkt, dan is te lezen dat er meer feedback wordt gegeven dan puur de boodschap dat de hoofd- en deelvragen niet goed zijn geformuleerd, welke door [naam 2] zijn aangeleverd. [naam 3] zegt bijvoorbeeld ook:“Waar zijn je deelvragen? Zonder deelvragen heb ik geen inzicht hoe je dit onderzoek gaat uitwerken en of alle verschillende onderdelen bij zullen dragen aan de beantwoording van je hoofdvraag.”. Vervolgens is de feedback van [naam 3] ook dat zij dingen in hoofdstukken ziet staan die daar niet thuishoren en die niet onder de hoofdvraag vallen. Het standpunt van [eiser] dat de scriptie alleen is afgekeurd omdat [naam 3] zegt dat met deze hoofd- en deelvragen het nooit tot een voldoende had kunnen komen, volgt de kantonrechter daarom niet.
1.10.
[eiser] verwijt [naam 2] dat hij [eiser] niet goed heeft begeleid bij de totstandkoming van haar scriptie opzet en vervolgens niet adequaat heeft ingegrepen toen bleek dat de scriptie opzet onvoldoende was. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van de VU dat [naam 2] ook harder had kunnen zijn door te zeggen dat [eiser] twee pogingen had om de opzet goedgekeurd te krijgen, die allebei onvoldoende zijn beoordeeld, waarmee het scriptietraject zou stoppen en zij in het nieuwe studiejaar in september 2024 met een nieuw scriptietraject had moeten beginnen. De vraag is dan of [eiser] slechter af was geweest dan dat zij nu is. Uit de stukken volgt dat [naam 2] geprobeerd heeft om eigenlijk meer te doen dan wat van een scriptiebegeleider verwacht mag worden, namelijk de hoofd- en deelvragen aanreiken en [eiser] extra kansen geven om de opzet goedgekeurd te krijgen. [eiser] is zelfs een extra kans geboden om alsnog met een nieuwe eerste en tweede lezer de scriptie goedgekeurd te krijgen. Daar leest de kantonrechter eerder in dat de VU meer heeft gedaan dan van een scriptiebegeleider verwacht mag worden dan dat zij haar zorgplicht geschonden heeft. De conclusie is dan ook dat de VU niet haar zorgplicht heeft geschonden waardoor de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
1.11.
Dat betekent ook dat [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de VU. Die worden als volgt begroot:
- salaris gemachtigde
€
577,00
(1 punt × € 557,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
721,00
1.12.
De door de VU gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.