1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de regiezitting van 12 februari 2024 en de daarin genoemde stukken,
- het vonnis in incident voeging van 24 april 2024 en de daarin genoemde stukken,
- het proces-verbaal van de digitale descente van 28 mei 2024,
- het vonnis van 14 augustus 2024 en de daarin genoemde stukken,
- het vonnis in de bevoegdheids- en vrijwaringsincidenten van 22 januari 2025 en de daarin genoemde stukken, waarin de rechtbank zich internationaal bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van SCE,
- het vonnis in incident 843a Rv van 7 mei 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord van Celanese tevens houdende een voorwaardelijk 843a-incident, met producties 1 – 16,
- de conclusie van antwoord van Clariant tevens houdende een voorwaardelijk 843a-incident, met producties 1 – 14,
- de conclusie van antwoord van Vestolit tevens houdende een voorwaardelijk 843a-incident, met producties 1 – 16,
- de aanvullende conclusie van antwoord van Vestolit inzake counterfactual ethyleen MCP’s en de ineffectiviteit van de inbreuk tevens houdende een voorwaardelijk 843a-incident, met producties 17 – 24,
- de conclusie van antwoord van Westlake, met producties 1 – 16,
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025 waarin abusievelijk de mondelinge behandeling op 19 maart 2026 is bepaald,
- het herstelvonnis van 2 oktober 2025 waarin de mondelinge behandeling op 18 maart 2026 is bepaald.
1.2.
Na het laatste tussenvonnis hebben alle partijen meerdere stukken overgelegd. Per partij gaat het om de volgende stukken.
SCE:
- de akte overlegging producties tevens houdende bewijsaanbod, tevens houdende wijziging van eis, met producties 61 – 71,
- de akte overlegging producties tevens houdende wijziging van eis, met producties 72 – 73,
- de conclusie van antwoord in het 843a-incident van Vestolit, met productie 74,
Celanese:
- de akte overlegging aanvullende producties, met producties 17 – 28,
- de akte overlegging aanvullende producties, met productie 29,
- de akte overlegging aanvullende producties, met producties 30 – 34,
- de incidentele conclusie tot tussenkomst,
Clariant:
- de akte houdende overlegging producties, met producties 15 – 21,
- de akte houdende overlegging producties, met producties 22 – 25,
- de incidentele conclusie 843a Rv (oud) tevens houdende vordering tot tussenkomst,
Vestolit:
- de akte overlegging producties, aanbod tot overlegging aanvullende producties, tevens wijziging van eis in incident 843a (oud) Rv, met producties 25 – 40,
- de akte houdende overlegging producties, aanbod tot overlegging aanvullende producties, met producties 41 – 47,
- de akte houdende overlegging productie, met productie 48,
Westlake:
- de akte houdende overlegging aanvullende producties, met producties 16 – 23,
- de akte houdende overlegging producties, met productie 24.
1.3.
Op 18 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verkort proces-verbaal opgemaakt. De in het proces-verbaal genoemde stukken behoren tot het dossier. Een notulist heeft aan de hand van een geluidsopname een woordelijk verslag van de mondelinge behandeling opgemaakt. Partijen hebben de gelegenheid gehad dit aan te vullen. De rechtbank heeft het woordelijk verslag vastgesteld en aan het proces-verbaal gehecht.
1.4.
Op 1 juni 2026 heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verkort proces-verbaal opgemaakt. De in het proces-verbaal genoemde stukken behoren tot het dossier. Een notulist heeft aan de hand van een geluidsopname een woordelijk verslag van de mondelinge behandeling opgemaakt. Partijen hebben de gelegenheid gehad dit aan te vullen. De rechtbank heeft het woordelijk verslag vastgesteld en aan het proces-verbaal gehecht.
1.5.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2. Het geschil, het procesverloop en de beslissingen van de rechtbank in het kort
Het geschil in het kort
2.1.
Het geschil betreft een follow-on procedure ter zake de schade die SCE stelt hebben geleden als gevolg van een door de Europese Commissie in haar besluit van 14 juli 2020 (het EC-besluit) vastgestelde inbreuk op artikel 101 lid 1 VWEU (ook wel het ‘ethyleenkartel’ genoemd).
2.2.
SCE verkoopt en levert onder meer ethyleen en ethyleenderivaten. Ethyleen is een kleurloos en zeer brandbaar gas dat wordt gebruikt als grondstof in de petrochemische industrie. Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake kopen ethyleen in voor de productie van verschillende chemische producten.
2.3.
SCE heeft vorderingen ingesteld in vervolg op het EC-besluit, waarin is vastgesteld dat door Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake het kartelverbod is overtreden en aan Celanese, Clariant en Vestolit geldboetes zijn opgelegd. Aan Westlake is volledige boete-immuniteit verleend. De inbreuk bestond uit bilaterale informatie-uitwisselingen tussen gedaagden die tot doel hadden het neerwaarts beïnvloeden van de Monthly Contract Price (de MCP) voor ethyleen, een referentieprijs die in bepaalde ethyleenleveringscontracten een van de variabelen vormt voor het vaststellen van de prijs van ethyleen en ethyleenderivaten.
2.4.
Het kernverwijt dat SCE aan gedaagden maakt is dat zij als gevolg van de inbreuk haar ethyleen en ethyleenderivaten voor te lage prijzen heeft verkocht in zowel de periode dat de inbreuk plaatsvond (in de jaren 2011-2017) als in de twee jaar daarna, omdat het effect van de inbreuk in deze periode na-ijlde. Volgens SCE heeft zij zodoende ruim € 1 miljard aan inkomsten misgelopen. In de hoofdzaak vordert SCE daarom onder meer dat Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van ruim € 1 miljard.
Het procesverloop
2.5.
Op 12 februari 2024 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is aan de orde gekomen dat aan de door SCE gemaakte schadeberekening bedrijfsvertrouwelijke gegevens ten grondslag liggen en dat die in deze procedure aan een vertrouwelijkheidsregime moeten worden onderworpen. De rechtbank heeft tijdens de regiezitting beslist dat die bedrijfsvertrouwelijke gegevens moeten worden ondergebracht in een door SCE in te richten dataroom (te weten de Dataroom Damages Calculation), waartoe een beperkte aan partijen gelieerde groep personen (de confidentiality ring) toegang zou krijgen. Over de Dataroom Damages Calculation zijn tijdens de regiezitting afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in het proces-verbaal. SCE heeft aan de aan gedaagden verbonden personen die tot de confidentiality ring behoren toegang gegeven tot een groot aantal bestanden.
2.6.
Clariant, Vestolit en Westlake hebben afzonderlijke bevoegdheidsincidenten opgeworpen. Daarnaast hebben alle gedaagden afzonderlijke (voorwaardelijke) onderlinge vrijwaringsincidenten opgeworpen. Verder heeft Vestolit een 843a-incident opgeworpen.
2.7.
Daarna heeft de rechtbank op 14 augustus 2024 een vonnis gewezen omtrent verzoeken van partijen in verband met de confidentiality ring en de (toegang tot de) Dataroom Damages Calculation.
2.8.
Gedaagden hebben – na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – op 13 november 2024 geen 843a-incident opgeworpen over in de Dataroom Damages Calculation ter beschikking gestelde documenten.
2.9.
De rechtbank heeft bij vonnis van 22 januari 2025 de bevoegdheidsincidenten van Clariant, Vestolit en Westlake afgewezen en de door alle gedaagden opgeworpen onderlinge vrijwaringsincidenten (grotendeels) toegewezen. In dit vonnis heeft de rechtbank ook nadere regiebeslissingen genomen omtrent de confidentiality ring en de (toegang tot de) Dataroom Damages Calculation.
2.10.
Bij vonnis van 7 mei 2025 is het 843a-incident van Vestolit afgewezen en is de verdere procesvoering in de hoofdzaak nader gespecificeerd.
2.11.
Op 27 augustus 2025 hebben gedaagden hun conclusies van antwoord in de hoofdzaak ingediend. Celanese, Clariant en Vestolit hebben ieder in hun conclusies van antwoord tevens (voorwaardelijke) 843a-incidenten opgeworpen.
2.12.
Daarna hebben alle gedaagden ieder eigen datarooms aan SCE opengesteld, onder toepassing van tussen partijen overeengekomen vertrouwelijkheidsregimes.
2.13.
Vervolgens hebben Celanese en Clariant ieder een incident tot tussenkomst opgeworpen en hebben Clariant en Vestolit hun (voorwaardelijke) 843a-incidenten gewijzigd.
2.14.
Op 18 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden met name over de eerste twee vooraf aan partijen toegezonden agendapunten.
2.15.
Op 1 juni 2026 heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden over de volgende en laatste agendapunten.
De beslissingen van de rechtbank
2.16.
In dit vonnis wordt inhoudelijk geoordeeld over i) de incidentele vorderingen tot tussenkomst van Celanese en Clariant, ii) de vorderingen in de hoofdzaak van SCE en iii) het door Westlake gevoerde immuniteitsverweer.
2.17.
Celanese en Clariant worden niet-ontvankelijk verklaard in hun incidentele vorderingen tot tussenkomst, omdat zij die te laat hebben ingesteld.
2.18.
De vorderingen in de hoofdzaak van SCE worden afgewezen.
2.19.
SCE heeft haar schadevergoedingsvordering met name gebaseerd op vijf deskundigenrapporten. In die rapporten is berekend hoe groot het effect van de inbreuk op de MCP is geweest aan de hand van de zogenoemde “difference-in-differences” methode (de diff-in-diff methode). Daarbij is een vergelijking in de tijd gemaakt tussen
de MCP op de Noordwest-Europese markt en de spotprijzen voor ethyleen op de Noordoost- en Zuidoost-Aziatische markten. SCE stelt op basis van deze rapporten dat gedaagden tijdens de inbreukperiode de MCP cumulatief neerwaarts hebben beïnvloed en dat dit effect gedurende twee jaar na de inbreukperiode voortduurde, maar wel geleidelijk afnam. SCE heeft haar schade berekend aan de hand van de in deze rapporten berekende undercharge ten opzichte van de Noordoost-Aziatische markt.
2.20.
De rechtbank oordeelt dat de door SCE overgelegde deskundigenrapporten de schadeberekening van SCE niet kunnen dragen, omdat – kort gezegd – i) de betrokken markten onvoldoende vergelijkbaar zijn en ii) (de resultaten van) de daarin gebruikte methode niet betrouwbaar is. De rechtbank oordeelt verder dat ook niet aannemelijk is dat SCE de door haar gestelde schade heeft geleden als gevolg van de inbreuk. Dit alles leidt ertoe dat de vorderingen van SCE in de hoofdzaak worden afgewezen.
2.21.
Westlake heeft in de hoofdzaak een beroep gedaan op artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn. Volgens Westlake volgt daaruit dat zij als ontvanger van immuniteit beperkt hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de door SCE gestelde schade. De rechtbank ziet aanleiding om in dit vonnis – ten overvloede – op dit verweer van Westlake in te gaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat Westlake zich als ontvanger van immuniteit op de beperking van de hoofdelijkheid kan beroepen.
2.22.
Gezien de uitkomst van de hoofdzaak komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door Celanese, Clariant en Vestolit opgeworpen (voorwaardelijke) 843a-incidenten, zodat die worden afgewezen.