ECLI:NL:RBAMS:2026:7993
Rechtbank Amsterdam
- Uitspraak
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/13/782858
- Rechtsgebied
- Civiel recht; Internationaal privaatrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie
Geldlening met rechtskeuze voor Nederlands recht. Vordering niet opeisbaar omdat op de vennootschap die het geld geleend heeft Oostenrijks recht van toepassing is en het Oostenrijkse Eigenkapitalersatz-Gesetz aan opeisbaarheid in de weg staat zo lang de vennootschap in crisis verkeert.
Uitspraak
1 De gronden van de beslissing
1.1.
In deze zaak is op de gestelde overeenkomsten van 2016 en 2017, krachtens rechtskeuze, Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 3 lid 1 Rome I.
Rome I geldt krachtens artikel 1 lid 2, aanhef en onder f, Rome I niet voor:
“f) kwesties behorende tot het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, zoals hun oprichting door registratie of anderszins, hun rechts- en handelingsbevoegdheid, hun inwendig bestel en hun ontbinding, alsook de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de organen voor de verbintenissen van de vennootschap, vereniging of rechtspersoon;”
1.2.
Kurhaus Germania is een corporatie in de zin van artikel 10:118 BW, die zetel heeft in Oostenrijk, en die krachtens genoemde bepaling wordt beheerst door Oostenrijks recht. De rechtbank past Oostenrijks recht ambtshalve toe (artikel 10:2 BW). Dat betekent dat de rechtskeuze in de geldleenovereenkomst voor Nederlands recht er niet aan afdoet dat de regels inzake gedaagde als een in Oostenrijk gevestigde corporatie van toepassing zijn, te weten het Oostenrijks recht.
1.3.
De rechtbank gaat er veronderstellenderwijs van uit dat tussen Aprodak en Gastein een geldleenovereenkomst is gesloten, en tussen Gastein en Kurhaus eveneens, en dat Gastein krachtens de overeenkomst van 6 januari 2016 haar vordering op Kurhaus aan Aprodak heeft gecedeerd, welke cessie aan Kurhaus is meegedeeld. Dat blijkt uit het feit dat de overeenkomst door zowel Aprodak als Gastein als Kurhaus is ondertekend. Deze strekking kan verder worden afgeleid uit de considerans van deze overeenkomst:
“considering that
Lender [Aprodak B.V., rb.] has originally given a short term financial loan to Gastein Hotelbetriebs GmbH, Bad Hofgastein, and Gastein Hotelbetriebs GmbH has given financial help to Borrower [“Kurhaus Germania” Herbert Konrad GmbH & Co KG, rb.], this agreement is to change the loans to a direct loan from Lender to Borrower, starting from today, January 6, 2016 for a total amount of € 376,118, without any cash transaction.”
1.4.
Uit § 1 van het Eigenkapitalersatz-Gesetz (hierna: EKEG) volgt dat een lening die een vennoot aan een vennootschap verstrekt die in crisis verkeert, een vervanging voor eigen vermogen is. In § 2 van het EKEG wordt toegelicht wanneer een vennootschap in crisis verkeert. In § 14 van het EKEG wordt bepaald dat er een verhindering is een dergelijke lening terug te betalen zolang de vennootschap niet is gesaneerd, en er dus geen situatie zoals bedoeld in § 2 van het EKEG (meer) bestaat.
1.5.
Gastein was commanditaire vennoot van Kurhaus. Kurhaus verkeerde in crisis en had een negatief eigen vermogen. Dat betekent dat de door Gastein verstrekte leningen aan Kurhaus kapitaalvervangend waren op grond van § 1 en 2 van het EKEG. Dat heeft tot gevolg dat volgens § 14 EKEG terugbetaling niet kan plaatsvinden zolang de vennootschap niet gesaneerd is.
1.6.
Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs van uit dat de overeenkomst uit 2016 als een driepartijenovereenkomst kan worden gezien, waarbij Gastein haar vordering op Kurhaus aan Aprodak overdraagt en deze cessie aan Kurhaus wordt medegedeeld. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing. Dat betekent dat volgens artikel 6:145 BW de overgang van de vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat. Omdat Kurhaus zich jegens Gastein op het EKEG kan beroepen, kan zij dat verweermiddel ook jegens Aprodak inroepen.
1.7.
Kurhaus stelt zij nog steeds in crisis verkeert omdat volgens het laatst bekende Gutachten uit 2025 aan elk van de drie criteria van § 2 van het EKEG is voldaan. Kort gezegd dat Kurhaus niet in staat is te betalen, dat zij een negatief eigen vermogen heeft, en dat het meer dan 15 jaar zal duren voor zij haar schulden kan voldoen. Volgens Kurhaus is deze toestand nog steeds aanwezig. Aprodak heeft daartegenover gesteld dat er waardevolle onroerende goederen tot het vermogen van Kurhaus behoren, maar daarmee is het bestaan van een crisis in de zin van § 2 van het EKEG onvoldoende weersproken. Aprodak heeft verder aangevoerd dat § 14 van het EKEG slechts aan executie in de weg zou staan. Dit is onjuist omdat uit die bepaling blijkt dat de vennoot de lening niet kan terugvorderen zolang de vennootschap niet gesaneerd is. Dit betekent dat de lening op dit moment niet opeisbaar is, en dat dus geen veroordeling tot betaling kan plaatsvinden.
1.8.
Dit betekent dat de vorderingen van Aprodak zullen worden afgewezen. Aprodak is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aprodak zal niet worden veroordeeld in de door Kurhaus gevorderde beslagkosten omdat geen vordering wordt toegewezen waarvoor beslag was gelegd.
1.9.
Aprodak wordt in het ongeljk gesteld en moet de proceskosten van Kurhaus betalen. De proceskosten van Kurhaus worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,-
- salaris advocaat
€
5.770,-
(2 punten × € 2.885,-)
- nakosten
€
189,-
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
12.820,-
1.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.