ECLI:NL:RBDHA:2026:18491
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.30546 en NL25.43387
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een mvv om bij haar echtgenoot, de heer [referent] (referent), in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing en stelde daarom beroep in. Daarnaast vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat zij tijdens de beroepsprocedure al tot Nederland wordt toegelaten. Als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat zij tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland wordt toegelaten. De voorzieningenrechter doet in deze uitspraak ook uitspraak over het beroep. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep gegrond is. Het afwijzen van de aanvraag, alleen omdat verzoekster het inburgeringexamen niet heeft gehaald, is namelijk discriminatoir. Ook heeft de minister de hoorplicht geschonden. Daarom moet de minister een nieuw besluit op bezwaar nemen. Voor de volledigheid gaat de voorzieningenrechter ook in op de beroepsgrond dat verzoekster ontheffing moet krijgen van het inburgeringsvereiste. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan over het beroep, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen voor de periode waarin de beroepsprocedure loopt. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van het nieuwe besluit op bezwaar, omdat er geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.