Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:RBDHA:2026:19414

Rechtbank Den Haag

Uitspraak
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24/10923
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Aanvraag faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU. Moeder en kinderen wonen in Nederland, de vader (eiser) in Kenia. Chavez-Vilchez-verblijfsrecht. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Om tot een vaststelling van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie te komen moeten, volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden. Tegen deze achtergrond begrijpt de rechtbank het beleid van de minister en de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aldus, dat onderdeel c van paragraaf B10/2.5 van de Vc in wezen een gezichtspunt is dat bij de afweging moet worden betrokken, maar niet op zichzelf tot afwijzing van een aanvraag kan leiden. Er zal steeds een integrale afweging van alle omstandigheden van het geval moeten worden gemaakt. De lidstaten van de Unie zijn verplicht om aan de hand van de door de derdelander verstrekte gegevens het nodige onderzoek te doen om vast te stellen waar de ouder die onderdaan van die lidstaat is woont en om ten eerste na te gaan of die ouder al of niet metterdaad de dagelijkse daadwerkelijke last voor het kind alleen kan en wil dragen en ten tweede na te gaan of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die derdelander is dat het kind bij weigering van een verblijfsrecht aan deze ouder het effectieve genot van de essentie van de aan zijn status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd. Een eventueel nationaal vastgelegde bewijslastverdeling kan aan deze onderzoeksplicht van de lidstaat geen afbreuk doen. Aldus bestaat ook voor de rechtbank de verplichting te beoordelen of, gelet op de gegevens die de derdelander aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, in bezwaar heeft aangevoerd en eventueel in beroep heeft verduidelijkt, aanleiding bestaat nader onderzoek te verrichten. De rechtbank wijst erop dat een Chavez-Vilchez verblijfsrecht van rechtswege ontstaat en het verstrekken van een verblijfsdocument op grond van dit arrest heeft dan ook een declaratoir karakter. De minister heeft in dit kader dan ook geen beoordelingsruimte, in die zin dat als de feitelijke omstandigheden tot de conclusie moeten leiden dat bij de weigering van een verblijfsrecht het kind, dat Unieburger is, feitelijk genoopt zou zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten, de minister verplicht is een verblijfsstatus toe te kennen. De criteria om te bepalen of aan die drempel is voldaan, vloeien voort uit het Unierecht en bieden geen beoordelingsruimte aan de minister. Het Unierecht dient immers binnen de Unie uniform te worden toegepast, zodat deze criteria niet van een verdere invulling door de minister afhankelijk mogen worden gesteld. De rechtbank kan bijgevolg de aan hem voorgelegde feitelijke omstandigheden ook direct aan die criteria toetsen. De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Het deskundigenbericht geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek dat inzichtelijk en consistent is. De rechtbank zal in de verdere beoordeling de feitelijke vaststellingen in dit deskundigenbericht dan ook tot uitgangspunt nemen. Uit het deskundigenbericht vloeit voort dat tussen eiser en diens kinderen een vergaande afhankelijkheidsrelatie bestaat, die tot gevolg heeft dat als eiser fysiek van zijn kinderen gescheiden blijft, er een groot risico is dat de kinderen psychosociale of emotionele schade zullen ondervinden. Het in acht nemen van het hogere belang van het kind brengt mee dat dat risico moet worden uitgesloten. Om deze risico’s uit te sluiten is noodzakelijk dat referent, eiser en de kinderen in fysieke nabijheid, in gezinsverband, hun relatie kunnen voortzetten. Bij weigering van een afgeleid verblijfsrecht c.q. visum, betekent dit dat om voornoemde emotionele schade en risico’s voor het evenwicht van de kinderen te voorkomen, de kinderen samen met referent feitelijk genoopt zouden zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten om zo de gezinsrelatie in een ander land, samen met eiser, voort te zetten. Daarmee is voldaan aan het criterium dat bij de weigering van een verblijfsrecht het kind, dat Unieburger is, feitelijk genoopt zou zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten. De minister heeft dan ook ten onrechte het gevraagde visum geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke omstandigheden zoals die in het bijzonder uit het deskundigenbericht naar voren komen tot de conclusie moeten leiden dat eiser voldoet aan de Chavez-Vilchez-criteria. Dat betekent dat de rechtbank vaststelt dat eiser een verblijfsrecht in Nederland heeft. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat als de zaak naar de minister zou worden terugverwezen, hij ook – gelet op hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen – een faciliterend visum zal (moeten) verstrekken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het primaire besluit van 23 november 2022 te herroepen en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de minister binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak eiser in het bezit moet stellen van een faciliterend visum op grond artikel 20 VWEU.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.