Procesverloop
2. Op 29 april 2025 heeft eiseres het college verzocht om handhavend op te treden tegen het niet tijdig operationaliseren van de maatregelen die zijn opgenomen in de maatregelenprogramma’s van de stroomgebiedbeheerplannen Rijn, Maas, Schelde en Eems 2022-2027, en specifiek de maatregelen met betrekking tot het waterlichaam Zandmaas, door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
2.1.
Op 2 december 2025 heeft eiseres het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar handhavingsverzoek.
2.2.
Op 22 december 2025 heeft het college aan eiseres meegedeeld dat het handhavingsverzoek van eiseres is doorgezonden naar Rijkswaterstaat.
2.3.
Op 21 januari 2026 heeft het eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek.
2.4.
Eiseres heeft nadere stukken overgelegd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres is mr. M.A. van der Brug verschenen, als vervanger van de gemachtigde. Het college is, hoewel correct daartoe uitgenodigd, zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
3. De toepasselijke wettelijke regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het college beslist op het handhavingsverzoek van eiseres?
4. Eiseres betoogt dat het college nog niet heeft beslist op haar handhavingsverzoek, terwijl het daartoe wel bevoegd is. Hiertoe voert zij aan dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister) verplicht is om de maatregelen die op grond van artikel 11 van de Kaderrichtlijn water (KRW) zijn opgenomen in de maatregelprogramma’s van de stroomgebiedbeheerplannen Rijn, Maas, Schelde en Eems 2022-2027, tijdig te operationaliseren. Eiseres wijst specifiek op de maatregelen met betrekking tot de Zandmaas, nu de toestand van dit waterlichaam matig is. Het niet operationaliseren van de maatregelen levert volgens eiseres een overtreding op van artikel 11 van de KRW en artikel 10.16, derde lid, van het Omgevingsbesluit (Ob). Omdat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in Den Haag is gevestigd, meent eiseres dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de minister.
4.1.
Het college heeft zich in zijn e-mail van 22 december 2025 op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd is om te beslissen op het handhavingsverzoek van eiseres. In deze e-mail staat namelijk het volgende: “Deze doorzending heeft plaatsgevonden omdat Rijkswaterstaat het bevoegde orgaan is om over het betreffende verzoek te beslissen.”
4.2.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze reactie van het college op het handhavingsverzoek van eiseres een besluit is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt namelijk dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen in beginsel moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een dergelijke mededeling houdt in ieder geval een oordeel in over de aanwezigheid en de reikwijdte van de door verzoeker veronderstelde bevoegdheid. Indien echter aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling, is geen sprake van een besluit.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de e-mail van 22 december 2025 een besluit, inhoudende dat de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden zich niet uitstrekt tot het handhavingsverzoek van eiseres. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
Het in de e-mail van 22 december 2025 ingenomen stadpunt over de bevoegdheid van het college is niet gemotiveerd. Het college heeft in deze beroepsprocedure ook geen verweer gevoerd.
4.5.
Uit artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow volgt dat het college het bevoegd gezag is bij overtreding van bij of krachtens de Ow gestelde regels, tenzij sprake is van een geval dat is vermeld in de eerste vier leden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door eiseres gestelde strijd met de hiervoor vermelde artikelen van de KRW en het Ob niet worden begrepen onder de eerste vier leden van artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow. In aanmerking genomen de ruime reikwijdte van de handhavingsbevoegdheid in artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet gezegd worden dat aan het college geen enkele handhavingsbevoegdheid is toegekend met betrekking tot overtreding van de hiervoor bedoelde bepalingen van KRW en het Ob, dan wel dat het geen enkele bemoeienis heeft met aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze bepalingen.
4.6.
Omdat het college op 22 december 2025 een besluit had genomen naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eiseres, is niet voldaan aan artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank ziet aanleiding om het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift door te sturen naar verweerder. Voor de volledigheid wijst de rechtbank erop dat het als bezwaarschrift te behandelen beroepschrift gelet op artikel 6:15, tweede en derde lid, tijdig is ingediend.