1 Inleiding
1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van 20 december 2023 en het aanvullende besluit van 8 oktober 2024 en is een vervolg op de tussenuitspraken van 13 augustus 2024 en 11 maart 2025. Voor de aanleiding tot en de inhoud van het besluit en voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraken. Hieronder volgt een korte samenvatting.
1.2.
In het besluit van 20 december 2023 werden 4 relevante elementen van het asielrelaas, tegenwoordig worden dit asielmotieven genoemd, onderscheiden:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de autoriteiten, familieleden van slachtoffers en autoriteiten na verlies van identiteitskaart;
Problemen vanwege politieke overtuiging en etniciteit;
Problemen vanwege religieuze overtuiging.
1.3.
De rechtbank stelde in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 vast dat de minister in de kern alles wat eiser heeft verklaard over wat hem is overkomen geloofwaardig heeft geacht, maar dat hij niet geloofwaardig acht dat de problemen met de buurtbewoners en de geestelijke [titel] zijn voortgekomen uit een aan eiser toegedichte afvalligheid van de islam. De minister acht dus geloofwaardig dat eiser naar aanleiding van het verlies van zijn identiteitskaart eind 2003 of begin 2004 tien tot twaalf dagen onder supervisie van de politie is gemarteld. Daarbij werd eiser twee tot vier keer per dag bezocht en ondervraagd, waarbij hij werd gemarteld, waardoor onder meer zijn arm is gebroken. Eiser is door hulp van omstanders na tien a twaalf dagen bevrijd, en dus niet door de autoriteiten zelf. Ook acht de minister geloofwaardig dat eiser, toen hij 18 of 19 jaar oud was (1997 of 1998), door buurtbewoners is mishandeld omdat hij alcohol dronk samen met zijn vrienden. Verder acht de minister geloofwaardig dat eiser een jaar voor vertrek uit Pakistan (in 2004) door studenten van de geestelijke [titel] is mishandeld. Bij die mishandeling is eiser naar een moskee gebracht. Op weg naar de moskee is eiser geslagen en werd hij voor ongelovige uitgescholden. Bij de moskee werd eiser uitgekleed, moest hij staan en zijn oren vasthouden, werd hij geslagen tot hij bewusteloos was en is daarbij voor dood achtergelaten. De geestelijke [titel] had opdracht gegeven om eiser te doden. Ook voordien ondervond eiser problemen van de geestelijke [titel], waaronder stokslagen tijdens zijn tienerjaren.
1.4.
Daarbij overwoog de rechtbank dat met de mishandeling van eiser, met name de mishandeling door de (studenten van de) geestelijke [titel] en de marteling onder supervisie van de politie, eiser is blootgesteld aan ernstige schade. Daarbij overwoog de rechtbank dat in artikel 31, vijfde lid, van de Vw - thans artikel 4 lid 4 van Verordening (EU) 1347/2024 - staat dat het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Uit het aanvullend besluit leidde de rechtbank af dat de minister zich op het standpunt stelt dat die goede redenen er zijn. De rechtbank stelde daarbij evenwel vast dat de minister daarvoor in de kern enkel heeft verwezen naar de periodes die eiser probleemloos in Pakistan zou hebben kunnen verblijven.
1.5.
De rechtbank overwoog dat die redenen niet voldoen. De rechtbank overwoog verder een eigen oordeel te willen geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en de behoefte aan internationale bescherming, maar zag zich hierin belemmerd door de rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank is vervolgens overgegaan tot heropening van het vooronderzoek en heeft daarbij de volgende prejudiciële vragen aan het Hof gesteld:
Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, die in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven?
Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven?
Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld?
Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten?
1.6.
Daarbij overwoog de rechtbank ten aanzien van de relevantie van de vragen het volgende:
19. De relevantie van de vragen is in het navolgende gelegen. Als de vragen onder 1 en 2 bevestigend moeten worden beantwoord en vraag 3 ontkennend en uit het antwoord op vraag 4 blijkt dat gegevens die in beroep bekend zijn geworden bij de afweging of een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven mogen worden betrokken, dan zal de rechtbank een inhoudelijk oordeel geven over de asielstatus van eiser en daarbij beslissen dat aan eiser internationale bescherming zal moeten worden toegekend. Eiser heeft blijkens zijn, ook door de minister geloofwaardig bevonden, verklaringen reeds in het verleden ernstige schade ervaren, hetgeen ingevolge artikel 31, vijfde lid, van de Vw, de implementatie van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 2011/95/EU, een duidelijke aanwijzing is dat het risico op die ernstige schade bij terugkeer reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke goede redenen door de minister niet aangevoerd. Voor zover de minister in dit verband verwijst naar het verblijf in [plaats 1] , en de vijfmaanden periode in Pakistan na het vertrek uit [plaats 2] is dit, zoals hiervoor onder 11.2 en 11.3 is overwogen, niet toereikend. De rechtbank acht bovendien de verklaringen van eiser over zijn verblijf in [plaats 1] en [plaats 4] geloofwaardig, zoals ook uit overwegingen 11.2 en 11.3 kan worden afgeleid. De rechtbank betrekt daarbij ook informatie die in beroep is aangevoerd.
In de tussenuitspraak van 13 augustus 2024 heeft de rechtbank bovendien geoordeeld dat het enkele tijdsverloop sinds een eerdere blootstelling aan ernstige schade evenmin voldoende is om als goede redenen in voornoemde zin te kwalificeren. Daarnaast heeft de rechtbank, gelet op de door de minister geloofwaardig geachte asielmotieven, in samenhang met hetgeen hiervoor onder 13 is overwogen, geen reden om te twijfelen aan de door eiser gestelde (toegedichte) afvalligheid. Gelet op de beschikbare landeninformatie lopen personen die als afvallig worden beschouwd een reëel risico op ernstige schade, waaronder lynchpartijen en aanvallen door menigten, hetgeen eiser blijkens zijn verklaringen over de geestelijke [titel] ook daadwerkelijk heeft meegemaakt, zodat ook om die reden voldoende aannemelijk is dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt.
20. Indien vraag 1 en/of 2 ontkennend wordt beantwoord, dan zal de rechtbank moeten volstaan met een vernietiging en terugverwijzing naar de minister, opdat de minister op de betreffende onderdelen (geloofwaardigheid of zwaarwegendheid) nog een nadere beoordeling kan verrichten. Indien vraag 3 bevestigend moet worden beantwoord, dan zal de rechtbank eveneens de zaak moeten terugverwijzen naar de minister voor een nadere beoordeling, omdat een andersluidend oordeel in dat geval naar alle waarschijnlijkheid in hoger beroep door de Afdeling niet in stand zal worden gelaten, aangezien de Afdeling in dat geval haar rechtspraak onverkort kan blijven toepassen. Indien de vierde vraag volledig ontkennend moet worden beantwoord, dan zal de rechtbank de zaak eveneens naar de minister moeten terugverwijzen voor een nadere beoordeling over die aspecten die in beroep wel, maar in de bestuurlijke fase niet naar voren zijn gebracht. Dit laat alsdan evenwel onverlet dat de rechtbank op de overige onderdelen, mits de vragen 1 en 2 bevestigend en vraag 3 ontkennend zijn beantwoord, dan wel een definitief oordeel kan geven, zodat de besluitvorming in een verder gevorderd stadium komt te liggen dan als de vragen 1 en 2 ontkennend en vraag 3 bevestigend moeten worden beantwoord.
1.7.
Het Hof heeft op 4 juni 2026 in antwoord op deze vragen het arrest Quotal gewezen. Het Hof heeft daarbij de prejudiciële vragen van de rechtbank als volgt beantwoord:
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.
1.8.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het beroep voortgezet. Op 17 juli 2026 heeft bij de rechtbank een zitting naar aanleiding van dit arrest plaatsgevonden, waar partijen hun visie op het arrest en de gevolgen ervan voor de onderhavige procedure uiteen hebben gezet. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook mr. S. Rafi en mr. S. Pamir van de Commissie Strategisch Procederen waren namens eiser aanwezig. De rechtbank heeft vervolgens aan het eind van de zitting het onderzoek gesloten.