1 Inleiding
1.1.
Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers tegen de besluiten van 11 september 2023, de aanvullende besluiten van 25 februari 2025 en de intrekkingsbesluiten van 12 juni 2025 en is een vervolg op de tussenuitspraak van 4 juli 2025. Voor de aanleiding tot en de inhoud van de besluiten en voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Hieronder volgt een korte samenvatting.
1.2.
Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister, blijkens diens opvolgende besluiten in samenhang bezien, de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters;
- vrees voor uithuwelijking van dochters;
- vrees voor besnijdenis van dochters;
- de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
1.3.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Hij vindt de verklaringen rondom de problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking ongeloofwaardig. Verder acht de minister de vrees voor uithuwelijking en besnijdenis niet aannemelijk. Tot slot acht de minister de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen ongeloofwaardig. De minister heeft deze besluiten vervolgens op 12 juni 2025 ingetrokken.
1.4.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekkingsbesluiten bij einduitspraak zullen worden vernietigd, zodat de rechtbank vervolgens de besluiten van 11 september 2023 en 25 februari 2025 inhoudelijk heeft beoordeeld (mede) aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
1.5.
In de tussenuitspraak is eerst ingegaan op de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Vervolgens is ingegaan op de problemen met buurman. De motivering ten aanzien van die relevante elementen konden naar het oordeel van de rechtbank geen stand houden. Aangezien de vrees voor besnijdenis en de vrees voor uithuwelijking beïnvloed kunnen worden door de relevante elementen “vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen” en “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters” en de besluiten ten aanzien van die elementen reeds onvoldoende waren gemotiveerd, heeft de rechtbank de vrees voor uithuwelijking en besnijdenis vooralsnog niet als aparte onderwerpen besproken.
1.6.
De rechtbank kwam vervolgens tot de conclusie dat ten aanzien van de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, de verklaringen van de dochters naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig waren. De rechtbank stelde evenwel vast dat de rechtspraak van de Afdeling niet toestond dat de rechtbank zelf zou oordelen dat een asielrelaas geloofwaardig is. De rechtbank twijfelde echter aan de juistheid van die rechtspraak, en is dan ook overgegaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof hierover.
1.7.
Verder stelde de rechtbank vast dat als uit wordt gegaan van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de dochters over de vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, naar het oordeel van de rechtbank sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging indien het begrip “gegronde vrees” moet worden uitgelegd als ‘een redelijke mate van waarschijnlijkheid’. Dit zou temeer klemmen als voor de uitleg van een redelijke mate van waarschijnlijkheid zou worden aangesloten bij het criterium van een nuchter en redelijk persoon in de positie van de asielzoeker, zoals dat door het Bundesverwaltungsgericht en ook in de Amerikaanse rechtspraak is geformuleerd. Omdat de rechtspraak van de Afdeling een eigen oordeel van de rechtbank over de gegrondheid van de vrees voor vervolging evenmin toeliet, en het Hof zich nog niet over de invulling van de “gegronde vrees” had uitgelaten, heeft de rechtbank ook hierover prejudiciële vragen gesteld.
1.8.
De prejudiciële vragen van de rechtbank luidden als volgt:
Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, dat in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven?
Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven?
Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld?
Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten?
Dient onder ‘gegronde vrees’ als bedoeld in artikel 2 sub d van richtlijn 2011/95/EU te worden verstaan de situatie dat sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat bij terugkeer de asielzoeker zal worden vervolgd? Dient die redelijke mate van waarschijnlijkheid te worden ingevuld aan de hand van het criterium van een ‘nuchter en redelijk persoon’, waarbij doorslaggevend is of vanuit het perspectief van een nuchter en redelijk persoon in de positie van de asielzoeker, een terugkeer naar het thuisland onredelijk lijkt na afweging van alle bekende omstandigheden? Zo niet, welk criterium dient dan te worden gehanteerd?
1.9.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak het vooronderzoek heropend ten behoeve van het stellen van voornoemde prejudiciële vragen en heeft daarbij het onderzoek vervolgens geschorst in afwachting van het arrest van het Hof. Op 4 juni 2026 heeft het Hof het arrest Ebilum gewezen. Het Hof heeft daarbij de prejudiciële vragen van de rechtbank als volgt beantwoord:
1) Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, een bindende uitspraak te doen en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.
2) Artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
moet aldus worden uitgelegd dat
de uitdrukking „gegronde vrees voor vervolging” betrekking heeft op de situatie waarin er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd en dat de bevoegde nationale autoriteiten, om vast te stellen of er sprake is van zulke vrees, een individuele, concrete en objectieve beoordeling moeten verrichten van de persoonlijke situatie van deze verzoeker, de feiten en omstandigheden betreffende zijn verzoek en de situatie in zijn land van herkomst.
1.10.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het beroep voortgezet. Op 17 juli 2026 heeft bij de rechtbank een zitting naar aanleiding van dit arrest plaatsgevonden, waar partijen hun visie op het arrest en de gevolgen ervan voor de onderhavige procedure uiteen hebben gezet. Hierbij waren aanwezig: de ouders, de dochters, de gemachtigde van eisers, S. Khudaida als tolk en de gemachtigde van de minister. Ook mr. S. Rafi en mr. S. Pamir van de Commissie Strategisch Procederen waren namens eisers aanwezig. De rechtbank heeft vervolgens aan het eind van de zitting het onderzoek gesloten.