Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:RBDHA:2026:22346

Rechtbank Den Haag

Uitspraak
10 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.11348 verwijzingsuitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Prejudicieel verzoek, Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen terugkeerbesluit niet-begeleide minderjarige – Jemen & Egypte Eiser is geboren en opgegroeid in Jemen bij beide ouders. Eiser is samen met zijn moeder uit Jemen gevlucht en heeft een maand met zijn moeder in Egypte gewoond voordat hij alleen de Unie is ingereisd en zich in Nederland bij de autoriteiten heeft gemeld. De vader van eiser heeft de Jemenitische nationaliteit. De moeder van eiser heeft de Egyptische nationaliteit. Daarom heeft eiser zowel de Jemenitische als de Egyptische nationaliteit. De ouders van eiser zijn inmiddels gescheiden. De vader van eiser woont in Jemen en de moeder van eiser woont in Egypte. Eiser heeft op 21 mei 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Eiser was ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige en was op dat moment 16 jaar, 2 maanden en 9 dagen oud. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 6 maart 2025 afgewezen als ongegrond. Dit besluit van 6 maart 2025 omvat een terugkeerbesluit waarin Jemen en Egypte als landen van terugkeer zijn aangemerkt en een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. Eiser was ten tijde van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige en was op dat moment 17 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud. Vanaf het moment van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming is sprake van illegaal verblijf en is verweerder in beginsel verplicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De autoriteiten zijn ingevolge artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn onder meer rekening te houden met het belang van het kind. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 bepaalt dat voordat de autoriteiten van een lidstaat een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, zij zich ervan overtuigen dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Het Hof heeft in het arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ verduidelijkt dat dit onderzoek naar adequate opvang moet plaatsvinden voorafgaand aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Het hoofdgeding spitst zich in deze fase van de procedure toe op de vraag of verweerder Egypte als land van terugkeer kon aanmerken. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of verweerder bij het onderzoek of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, zich in wezen kan beperken tot de vaststelling dat een van de ouders verblijft in het derdeland waar de terugkeerverplichting op ziet en de niet-begeleide minderjarige contact heeft of kan krijgen met deze ouder die eerder de zorg heeft gedragen voor deze niet-begeleide minderjarige. De tweede prejudiciële vraag van de rechtbank heeft betrekking op de wijze waarop het belang van het kind moet worden vastgesteld en meer in het bijzonder of dit vereist dat dit niet op algemene aannames over minderjarigen berust, maar daadwerkelijk op onafhankelijke wijze wordt onderzocht door ter zake deskundigen. Het VN Comité voor de Rechten van het Kind is belast met de monitoring en verduidelijking van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het Comité voor de Rechten van het Kind heeft uitgebreid en gedetailleerd beschreven op welke wijze een ‘best interest of the child-assessment’ moet worden verricht en welke factoren in ogenschouw moeten worden genomen bij het onderzoeken en vaststellen van het belang van een kind. De rechtbank verzoekt het Hof te verduidelijken in hoeverre het onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt om hun nationale procedure in te richten zonder het belang van het kind zoveel mogelijk vast te stellen op de wijze die het Comité voor de Rechten van het Kind in haar General Comments uiteen heeft gezet. Indien de lidstaten overeenkomstig het Verdrag inzake de rechten van het kind bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 het belang van het kind voorop dienen te stellen, komt het de rechtbank voor dat het Unierecht de inhoud en reikwijdte van de bescherming die de internationale gemeenschap aan kinderen heeft geboden in het Verdrag inzake van de rechten van het kind, niet kan beperken. De twee prejudiciële vragen van de rechtbank hebben dus betrekking op de wijze waarop moet worden beoordeeld of sprake is van adequate opvang in het land van terugkeer en, indien adequate opvang beschikbaar en toegankelijk is voor de betreffende niet-begeleide minderjarige, op welke wijze het belang van het kind moet worden vastgesteld om vervolgens in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling of het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in het belang van het kind is. De behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat het Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de rechtbank heeft beantwoord.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.