ECLI:NL:RBDHA:2026:22547
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.269
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
asiel Jemen, geloofwaardigheidsbeoordeling niet in strijd met Unierecht, geloofwaardigheid relaas al in rechte vast, 15c, ongegrond.
Uitspraak
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van [datum] 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Verloop van de asielprocedure
3. Eiser heeft op [datum] 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag is in eerste instantie niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk was voor de aanvraag van eiser. Hij is echter niet tijdig overgedragen aan Spanje, waardoor Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.
3.1.
Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Hij is afkomstig uit Jemen, de stad [stad] , en is in 2013 vanwege de oorlog naar Saudi-Arabië gegaan om te werken. Eiser is tweemaal teruggekeerd naar Jemen en is in 2021 vertrokken naar Europa. Toen eiser de laatste keer in Jemen was heeft namelijk een incident plaatsgevonden met [groep] . Bij terugkeer vreest eiser voor de algemene veiligheidssituatie in Jemen en voor de [groep] vanwege het incident.
3.2.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond bij besluit van [datum] 2024. Hierbij heeft de minister gesteld dat eisers problemen met de [groep] niet geloofwaardig zijn. Daarnaast loopt eiser, volgens de minister, geen reëel risico op ernstige schade omdat in Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, en eiser met zijn individuele situatie niet aannemelijk heeft gemaakt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Het beroep tegen dat besluit heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 13 juni 2025 gegrond verklaard en het besluit van [datum] 2024 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank – samengevat – geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de humanitaire situatie in Jemen niet wordt veroorzaakt door de strijdende partijen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de verklaringen van eiser over de problemen met de [groep] ongeloofwaardig zijn. Ook heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer zal worden van gedwongen rekrutering. Tot slot slaagde ook het betoog van eiser dat de minister het oude beleid had moeten toepassen, niet. Het hoger beroep dat de minister tegen deze uitspraak heeft ingesteld, is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ongegrond verklaard waarmee de uitspraak van de rechtbank is bevestigd.
3.3.
De minister heeft daarom op [datum] 2025 opnieuw een besluit genomen. Dat besluit ligt nu ter toetsing voor. De minister heeft de asielaanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister gesteld dat voor Jemen, en in geval van eiser specifiek voor [stad] , sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daarbij verwijst de minister naar het gewijzigde beleid van 15 oktober 2025 (WBV 2025/20). Eiser dient daarom op individuele gronden aannemelijk te maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarvan is, volgens de minister, geen sprake.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
4. Eiser betoogt dat de huidige geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals ingevoerd per 1 juli 2024, in strijd is met het Unierecht. De bewijslast die op de vreemdeling rust is daarmee namelijk onterecht verzwaard.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van 25 juni 2025 en 8 september 2025.
Geloofwaardigheid asielrelaas
5. Eiser heeft in de beroepsgronden ook argumenten aangevoerd tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas. Hij stelt dat gelet op recente informatie de problemen met de [groep] en de gedwongen rekrutering ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Uit deze informatie blijkt namelijk dat niet enkel kinderen gerekruteerd worden, maar mannen van alle leeftijden.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank staat de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser in rechte vast. Over de geloofwaardigheid van het asielrelaas al namelijk al een oordeel gegeven in de uitspraak van 13 juni 2025. Daarbij overweegt de rechtbank dat anders dan eiser aanvoert, de rechtbank ook het argument van eiser dat mannen van alle leeftijden gerekruteerd worden, heeft meegenomen. Eiser heeft daar namelijk in die procedure ook op gewezen.
Loopt eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade?
6. Eiser betoogt dat de minister het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 blijkt namelijk dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. In het gewijzigde beleid van 8 oktober 2025 is het standpunt van de minister ongewijzigd gebleven en volgens eiser is nog steeds onvoldoende duidelijk op welke wijze de humanitaire omstandigheden binnen het woongebied van eiser zijn meegewogen. Daarbij wijst eiser erop dat uit het algemeen ambtsbericht over Jemen uit 2025 (ambtsbericht 2025) geen noemenswaardige verbeteringen ten opzichte van het eerdere ambtsbericht blijken. Daarnaast blijkt uit recente nieuwsartikelen dat het geweld weer toeneemt in Jemen, en in [stad] . Verder heeft de minister ten onrechte gesteld dat eiser geen persoonlijke en individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. Eiser heeft namelijk wel degelijk onderbouwd waarom zijn leven in gevaar zal zijn als hij moet terugkeren naar Jemen. Voor terugkeerders is namelijk sprake van zeer slechte humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van een gewapend conflict.
Willekeurig geweld
6.1.
De minister gaat sinds WBV 2024/9 voor geheel Jemen uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister in dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken en heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het algemeen ambtsbericht van 2025. De minister heeft vervolgens het beleid met WBV 2025/20 gewijzigd, waarbij hij nog steeds aanneemt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in [stad] .
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van [datum] 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid zoals dat volgt uit WBV 2025/20. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat in [stad] sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daarbij wijst de rechtbank op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026. In deze uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de minister in het beleid, zoals volgt uit WBV 2025/20, terecht heeft aangenomen dat zich in [stad] niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld voordoet. Daarbij is de rechtbank ook ingegaan op de humanitaire omstandigheden en heeft daarover geoordeeld dat de minister deze voldoende heeft betrokken in het nieuwe landenbeleid. Dat eiser het niet eens is met deze uitspraak en naar voren brengt dat rechtbank Den Haag tot een ander oordeel komt over het nieuwe beleid, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat een andere zittingsplaats tot een andere conclusie komt dan deze zittingsplaats, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. Met betrekking tot de nieuwsartikelen heeft de minister tijdens de zitting terecht gesteld dat hoewel hieruit blijkt dat sprake is van een ernstig conflict, zoals ook aangenomen in het beleid, geen sprake is van een situatie waarin iemand door zijn enkele aanwezigheid risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld
6.3.
Omdat sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, moet eiser aannemelijk maken dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister heeft terecht gesteld dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft als individuele omstandigheden naar voren gebracht dat voor terugkeerders de humanitaire omstandigheden slecht zijn. In dat kader verwijst de rechtbank naar dat wat is geoordeeld onder 6.2. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom hij door de slechte humanitaire omstandigheden persoonlijk een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.