ECLI:NL:RBDHA:2026:22554
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- C/09/708868 KG ZA 26-783
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Kort geding, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Inhoudsindicatie
Mondeling vonnis, gedeeltelijke opheffing van beslagen.
Uitspraak
1 De gronden van de beslissing
1.1.
Vaststaat dat [eiser] en [gedaagde] broers van elkaar zijn. [gedaagde] heeft enige tijd bij de moeder van partijen, [erflaatster] (hierna: erflaatster), ingewoond. De huurovereenkomst voor de woning aan het [adres] (hierna: de woning) stond op naam van erflaatster.
1.2.
In verband met de verzorging van erflaatster hebben [eiser] en [gedaagde] een tweetal procedures bij de rechtbank gevoerd. Dit heeft geleid tot twee minnelijke regelingen.
1.3.
Op 10 mei 2026 is de erflaatster overleden.
1.4.
In het testament van erflaatster is [eiser] benoemd tot executeur van de nalatenschap. [eiser] heeft de benoeming tot executeur aanvaard. Tot de nalatenschap behoren in ieder geval een effectenportefeuille en diverse bankrekeningen op naam van erflaatster. Ten tijde van het overlijden van erflaatster vertegenwoordigde de effectenportefeuille en de bankrekeningen tezamen een waarde van circa € 1.200.000.
1.5.
Op 10 juni 2026 is [eiser] namens de verhuurder van de woning, voor zover relevant, als volgt bericht:
“Ik heb afgelopen week al met u gebeld. Wij ontvangen graag een huuropzegging. Het is niet mogelijk dat de medebewoner (meneer staat niet op het huurcontract) het contract overneemt.
Nogmaals het verzoek om een huuropzegging te sturen.”
1.6.
[eiser] heeft de huurovereenkomst vervolgens opgezegd.
1.7.
Ondertussen hebben [eiser] en [gedaagde] , bij monde van hun advocaten, gecorrespondeerd over de (partiële) verdeling van de nalatenschap en het aanhouden van een buffer voor het betalen van de erfbelasting. Er heeft ook een gesprek plaatsgevonden waarbij zowel partijen als hun advocaten aanwezig waren.
1.8.
Ondertussen heeft [eiser] ook vanuit de effectenportefeuille van erflaatster aandelen aangekocht en verkocht.
1.9.
Op 6 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] verlof verleend om conservatoir beslag te leggen. [gedaagde] heeft vervolgens conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen en effectenportefeuille van de nalatenschap en op de bankrekeningen van [eiser] (in privé).
1.10.
[eiser] vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om alle ten laste van [eiser] en zijn echtgenote en alle ten laste van de ervenrekening c.q. de boedel gelegde beslagen op te heffen op straffe van dwangsommen. Daarnaast vordert [eiser] een aan [gedaagde] op te leggen verbod om nogmaals beslag te leggen op de privérekeningen van [eiser] en zijn echtgenote op straffe van dwangsommen en om [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. [gedaagde] voert verweer tegen het gevorderde.
1.11.
Het gevorderde is gedeeltelijk toewijsbaar. De beslagen op de bankrekeningen van de nalatenschap en op de privérekeningen van [eiser] worden opgeheven. Een beslagverbod acht de voorzieningenrechter niet nodig. Daartoe is het volgende redengevend.
1.12.
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert (in dit geval [eiser] ) om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, voldoende aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (in dit geval [gedaagde] ) gepretendeerde vorderingen ondeugdelijk zijn of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Daarbij vindt tevens een afweging van de wederzijdse belangen plaats, waarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, als een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
Het beslag op de effectenportefeuille
1.13.
[gedaagde] heeft conservatoir (afgifte-/leverings-)beslag op de effectenportefeuille en de bankrekeningen van erflaatster gelegd ter nakoming van de uiteindelijke verdeling en levering in natura van het 50% onverdeelde aandeel van [gedaagde] in de nalatenschap.
1.14.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de nalatenschap en dat [eiser] (als executeur) verschillende effectentransacties via de effectenrekening van erflaatster heeft uitgevoerd waarbij aandelen zijn aangekocht en verkocht. In het licht van het bepaalde in artikel 4:147 Burgerlijk Wetboek (BW) treedt de executeur daarmee buiten de hem toebedeelde taak. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat erflaatster (vrijwel) geen schulden had en dat dat de door [eiser] in de effectenportefeuille uitgevoerde transacties niet zijn verricht vanwege de in artikel 4:147 BW genoemde gronden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat [eiser] ‘op eigen houtje’ in aandelen heeft gehandeld en dat daarmee aanzienlijke bedragen zijn gemoeid. Dit rechtvaardigt het beslag dat [gedaagde] heeft gelegd ten behoeve van de verdeling die plaats moet vinden.
1.15.
Bij deze stand van zaken is niet summierlijk van het onnodige van het beslag gebleken. Ook valt de belangenafweging in het voordeel van [gedaagde] uit. Door het gelegde beslag wordt voorkomen dat [eiser] nieuwe wijzigingen in de effectenportefeuille aanbrengt. De vordering tot opheffing van het beslag op de aandelenportefeuille wordt daarom afgewezen.
Het beslag op de bankrekeningen van erflaatster
1.16.
[gedaagde] heeft beslag gelegd op de bankrekeningen van de nalatenschap. Hij heeft dat beslag gelegd “teneinde de gelden op die rekening(en) te conserveren voor de latere verdeling en afgifte”. [eiser] wordt verweten onvoldoende informatie aan [gedaagde] te hebben verstrekt over het saldo van de bankrekeningen van erflaatster. Volgens [gedaagde] bedroeg het saldo op de bankrekeningen € 43.744,07 op 15 mei 2026. Daarna zouden diverse bedragen moeten zijn bijgeschreven op de bankrekening: teruggaven van de inkomstenbelasting voor 2022 en 2025 ten bedrage van € 16.000 respectievelijk € 27.000, een teruggave van het PGB-portaal van € 4.000, een maand AOW en een maand pensioen. Het totaal van de banksaldi zou volgens [gedaagde] tussen de € 90.000 en € 100.000 moeten bedragen. Namens [eiser] is ter zitting verklaard dat een bedrag van € 15.000 – dat kort na het overlijden van erflaatster door [gedaagde] vanuit de effectenportefeuille zou zijn overgeboekt naar de bankrekening van erflaatster – door [eiser] is teruggeboekt naar de effectenportefeuille. De andere bedragen (met name belastingteruggaven) zijn volgens [eiser] nog niet ontvangen op de bankrekening van erflaatster.
1.17.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] ten aanzien van de bankrekeningen buiten zijn bevoegdheden als executeur is getreden. De door [gedaagde] genoemde te ontvangen bedragen zijn pas recent bekend geworden en moeten kennelijk nog worden ontvangen. Met het leggen van deze beslagen is [gedaagde] dan ook echt te hard van stapel gelopen. [gedaagde] moet zich bovendien realiseren dat [eiser] rekening en verantwoording moet afleggen zodra zijn beheer over de nalatenschap is geëindigd. Met het leggen van de beslagen brengt [gedaagde] teweeg [eiser] als executeur geen betalingen meer kan verrichten namens de nalatenschap en dat hij als gevolg daarvan wordt gehinderd in de uitoefening van zijn taken. Onder deze omstandigheden is er reden voor opheffing van de beslagen op de bankrekeningen van de nalatenschap.
Het beslag op de privérekeningen van [eiser]
1.18.
Ten aanzien van het beslag op de privérekeningen is verlof verleend vanwege een mogelijke vordering van [gedaagde] op [eiser] in verband met het opzeggen van de huurovereenkomst van de woning. [gedaagde] heeft in het beslagrekest aangevoerd dat hij juridische kosten heeft moeten maken om te voorkomen dat hij per direct uit de woning werd gezet. [gedaagde] meent dat [eiser] in zijn hoedanigheid van executeur geen rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [gedaagde] en dat [eiser] om die reden aansprakelijk is voor de juridische kosten van [gedaagde] in dit verband.
1.19.
De voorzieningenrechter oordeelt dat deze grondslag vrij kansloos is. [eiser] heeft als executeur de huur (op aandringen van de verhuurder) opgezegd om te voorkomen dat de huur ten laste van de nalatenschap doorloopt. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden die voor [eiser] een rechtsplicht deden ontstaan om zich in het belang van [gedaagde] ervoor in te zetten dat [gedaagde] de woning die erflaatster huurde zou kunnen kopen of anderszins zou kunnen blijven bewonen. Bovendien blijkt uit de e-mail van de beheerder van 10 juni 2026 dat [eiser] met de verhuurder heeft gesproken over de overname van de huur of de woning, maar dat de verhuurder daar niet voor openstond. Dat [eiser] aldus enig ‘recht’ van [gedaagde] op voortzetting van het gebruik van de woning zou hebben gefrustreerd is bepaald niet aannemelijk. Dat [gedaagde] een daarmee verband houdende vordering jegens [eiser] geldend zou kunnen maken is volstrekt onaannemelijk. Ten laste van [eiser] (en zijn partner) gelegde beslagen moeten dan ook worden opgeheven.
Verbod om opnieuw beslag te leggen
1.20.
Een beslagverbod gaat te ver naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Het moge duidelijk zijn dat [gedaagde] beter geen conservatoir beslag kan leggen op gronden die hiervoor aan de orde zijn gekomen en beoordeeld (en te licht bevonden) zijn. Mocht [gedaagde] een nieuw conservatoir beslag willen leggen dan zal hij melding moeten maken van dit vonnis, dat hij zal moeten overleggen als productie.
Opheffen: door de voorzieningenrechter zelf of een veroordeling op te heffen aan [gedaagde] ?
1.21.
De voorzieningenrechter zal de beslagen die opgeheven moeten worden zelf opheffen, de meest adequate route. Nu het proces-verbaal van dit vonnis even op zich laat wachten en [gedaagde] door het mondelinge vonnis weet dat de instandhouding van de beslagen die opgeheven moeten worden naar het oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig is, doet hij er verstandig aan zelf onmiddellijk tot opheffing ervan over te gaan.
Proceskosten
1.22.
In de familierechtelijke aard van dit geschil en in het feit dat de broers deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.