ECLI:NL:RBDHA:2026:22771
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26.1530
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Aan eiser is eerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. Vervolgens heeft hij jarenlang in Nederland vastgezeten voor het plegen van een strafbaar feit. Na zijn vrijlating in 2025 heeft hij direct opnieuw asiel aangevraagd, omdat de Taliban op 15 augustus 2021 de macht hebben overgenomen in Afghanistan en omdat hij als christen en vanwege zijn afkomst (etniciteit) en voormalige werkzaamheden bij het Afghaanse ministerie voor Staatsveiligheid, de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (WAD), vreest dat hij zal worden vervolgd door de Taliban. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de gestelde Hazara etniciteit en de gestelde afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom, terecht ongeloofwaardig geacht. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister niet afdoende heeft gemotiveerd dat de geloofwaardig geachte asielmotieven, zijnde de Tadzjiekse etniciteit, de werkzaamheden voor de voormalige WAD en het langdurig verblijf in het westen, ook in samenhang bezien, voor eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade vormen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand te laten omdat dat minister in het verweerschrift en ter zitting alsnog genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom de geloofwaardige asielmotieven ook in samenhang bezien voor eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade opleveren.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.