Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:RBDHA:2026:22813

Rechtbank Den Haag

Uitspraak
14 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.25896
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen refoulementverbod & daadwerkelijk rechtsmiddel na “MOB-melding” – Griekse statushouder uit Eritrea / procedurerichtlijn / terugkeerrichtlijn / Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Verzoeker heeft de Eritrese nationaliteit en heeft op 8 januari 2024 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 29 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat de Griekse autoriteiten reeds internationale bescherming aan verzoeker hebben verleend. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, maar een bevel aan verzoeker om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115. Verzoeker heeft op 16 juni 2026, in afwachting van de behandeling van zijn beroep tegen het besluit van 29 september 2025 door de rechtbank, de opvanglocatie verlaten zonder aan verweerder mede te delen waar hij zal verblijven. De gemachtigde van verzoeker heeft de rechtbank medegedeeld dat zij ten tijde van de behandeling van het beroep door de rechtbank geen contact heeft met verzoeker en ook geen contact met hem kan krijgen. Verweerder gaat er van uit dat verzoeker zich nog op het grondgebied van de Unie bevindt. De rechtbank acht het, gelet op de verklaringen van verzoeker over zijn redenen om Eritrea te ontvluchten en de verklaringen van verzoeker over Griekenland, buitengewoon onwaarschijnlijk dat verzoeker thans is teruggekeerd naar Eritrea of Griekenland. Verweerder heeft kennelijk ook geen aanleiding gezien om dit na te gaan bij de Griekse autoriteiten. Op grond van vaste rechtspraak zou de rechtbank verzoeker vanwege de mob-melding niet-ontvankelijk moeten verklaren. Indien de rechtbank echter het beroep inhoudelijk zou beoordelen, zou de rechtbank vaststellen dat het beginsel van non-refoulement zowel aan de terugkeer naar Griekenland, als aan de terugkeer naar Eritrea in de weg staat en zou de rechtbank verweerder opdragen om aan verzoeker internationale bescherming te verlenen. Dat kan namelijk ook als verweerder niet onverwijld in staat is om een verblijfsvergunning aan verzoeker te geven omdat hij “mob is”. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of de “mob-rechtspraak” verenigbaar is met het Unierecht. De rechtbank meent van niet, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod en het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte. De rechtbank vraagt het Hof of uit het Unierecht volgt dat de rechtbank bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over het bevel om naar Griekenland te gaan en of de rechtbank bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank stelt drie prejudiciële vragen en schorst de behandeling van het beroep in afwachting van het arrest van het Hof.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.