ECLI:NL:RBDHA:2026:23095
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.45657
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Kennisgeving artikel 6, derde lid, van de Vw. Noodzaak grensdetentie niet onderbouwd, onvoldoende oog voor de mogelijkheid van een lichter middel. Beroep gegrond
Uitspraak
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft de minister aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, I.A. Remizova als tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
3. Het betoog van eiseres komt erop neer dat er geen noodzaak is om de grensdetentie toe te passen en dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om een lichter middel toe te passen. Hierbij is volgens eiseres onvoldoende gekeken naar de individuele omstandigheden van eiseres. Zij is transgender, bekend met suïcidale gedachten en is doorverwezen voor specialistische zorg. Bovendien beschikt zij over een echt bevonden paspoort.
4. Bij de behandeling ter zitting heeft de minister betoogd dat de noodzaak van het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, is gelegen in het grensbewakingsbelang. Volgens de minister is er voldoende onderzoek gedaan naar alle relevante feiten en omstandigheden.
5. Met dit standpunt gaat de minister echter voorbij aan het eerdere oordeel van de rechtbank in de uitspraken van 17 juli 2026 dat uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt dat alleen in de daarin genoemde situaties de verplichting bestaat om de grensprocedure toe te passen. In alle andere gevallen is een lidstaat niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. En dus ook niet verplicht om de beslissing tot toegang tot het Nederlandse grondgebied uit te stellen en tot grensdetentie over te gaan. Dit maakt niet dat de minister in een situatie waarin hij onverplicht over gaat tot de grensprocedure, uiteindelijk niet ook zou kunnen overgaan tot het toepassen van grensdetentie. De noodzaak daartoe dient dan alleen (ook) op een andere wijze – bijvoorbeeld omdat er een risico is op onderduiken – te zijn onderbouwd. Deze onderbouwing is door de minister in de onderhavige zaak evenwel niet gegeven.
6. De minister heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat eiseres onder een van de in artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde gevallen valt en de grensprocedure, en daaraan gekoppeld de grensdetentie, dus verplicht was. Eiseres komt immers uit Kazachstan en ten opzichte van asielverzoeken van mensen afkomstig uit Kazachstan geldt een Europees inwilligingspercentage van 12,4%. Eiseres valt daarmee onder de situatie als bedoeld in artikel 42, eerste lid onder j) van de Procedureverordening, aldus de minister. Daargelaten dat deze onderbouwing niet in de maatregel zelf staat, is de rechtbank van oordeel dat de minister in deze redenering niet kan worden gevolgd. In artikel 42, eerste lid sub j) staat immers duidelijk dat de ‘minder dan 20%’-voorwaarde niet geldt indien de verzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20% of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd. Eiseres heeft aangegeven dat zij tot de LHBTIQ+-gemeenschap behoort en dat haar asielmotief ook daar verband mee houdt.
7. De rechtbank overweegt verder dat het unierecht geen automatische koppeling legt tussen het toepassen van de grensprocedure en het plaatsen in grensdetentie. Detentie van een asielzoeker als uiterst middel kan enkel worden opgelegd indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Dat de minister in regelgeving of praktijk (nog) geen mogelijkheden ziet om bij een asielzoeker die zich aan de buitengrens presenteert een effectief lichter middel toe te passen, betekent niet dat die mogelijkheid niet bestaat. De rechtbank ziet daarom, zonder nadere motivering zoals bijvoorbeeld bij toepassing van de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw waarbij sprake is van aanknopingspunten voor toepassing van de Dublinverordening of Asiel- en Migratiebeheerverordening wordt gegeven, niet in dat met het niet opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel het grensbewakingsbelang zonder meer volledig wordt losgelaten.
8. De rechtbank komt op grond van het voorgaande al tot de conclusie dat de aan eiseres opgelegde grensdetentie onrechtmatig is, omdat niet is gebleken van de noodzaak daartoe en niet is gekeken of volstaan kon worden met een lichter middel. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
9. De rechtbank hecht eraan op te merken dat het voorgaande niet betekent dat de minister op deze wijze niet meer over zou kunnen gaan tot het toepassen van grensdetentie. Als na een gedegen onderzoek is gebleken dat een lichter middel niet effectief is toe te passen, de bewaring noodzakelijk is en op grond van een individuele afweging van alle relevante feiten en omstandigheden evenredig is te achten, dan kan de minister overgaan tot het toepassen van grensdetentie. En is unierechtelijk, in overeenstemming met het beginsel van ultimum remedium, verzekerd dat de detentie in dat specifieke geval niet anders kon en ook niet anders had gehoeven.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.