ECLI:NL:RBDHA:2026:23116
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.20710
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag van een moeder voor afgeleid verblijf bij haar Nederlandse kind op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister gaat uit van schijnerkenning en heeft bij de gemeente een terugmelding gedaan als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de Wet BRP en verzocht de Nederlandse nationaliteit van het kind te schrappen, het Nederlandse paspoort in te nemen en zijn nationaliteit te wijzigen naar de Surinaamse nationaliteit. De minister meent daarmee “de daartoe gewezen procedure” te hebben gevolgd als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2024 en dat het kind daarmee zijn Nederlanderschap met terugwerkende kracht is verloren. De rechtbank volgt de minister daarin niet. Volgens de rechtbank is “de daartoe aangewezen procedure” enkel een procedure op grond van de RWN. Dit volgt uit artikel 14, zevende lid van de RWN. Pas als de civiele rechter de erkenning op verzoek van het openbaar ministerie heeft vernietigd, kan de minister vervolgens onderzoeken of het kind daardoor het Nederlanderschap is verloren, als bedoeld in artikel 14, zesde lid van de RWN. Zolang dat niet gebeurd is, dient de minister uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van het kind zoals geregistreerd in de BRP. Dat het wettelijk zo in elkaar zit, is om de vaststelling van een schijnerkenning met voldoende waarborgen, zoals bewijsvoering en het beginsel van hoor en wederhoor, te omkleden en om de burger voldoende bescherming te bieden. De rechtbank bepaalt dat het afgeleide verblijfsrecht van eiseres feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag en draagt de minister op om het verblijfsdocument binnen twee weken af te geven.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.