ECLI:NL:RBDHA:2026:23262
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.44198
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Kennisgeving artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij heeft de minister zwaar gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser al twee keer eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Verder is de minister in de maatregel ingegaan op de door eiser gestelde omstandigheden, met name dat hij een vrouw en kind heeft die ook in Nederland verblijven. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser dit niet voldoende heeft onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde pasjes en foto’s kan immers niet worden afgeleid dat dit daadwerkelijk de echtgenote en het kind van eiser betreft. Beroep ongegrond.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.