ECLI:NL:RBDHA:2026:24913
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.61727
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Einduitspraak na tussenuitspraak. Eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Verenigde Staten het risico loopt veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling. Verweerder heeft niet alle twijfels weggenomen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Gebrek in het bestreden besluit is met het aanvullende besluit niet hersteld. Beroep gegrond.
Uitspraak
Procesverloop
Bij besluit van 10 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiseres opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.61728, op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen J.E. Hynd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 12 mei 2026 een tussenuitspraak gedaan, waarin zij verweerder in de gelegenheid heeft gesteld om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen (de tussenuitspraak).
Verweerder heeft op 15 juni 2026 een aanvullend besluit genomen (het aanvullende besluit).
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres mede betrekking op het aanvullende besluit.
Eiseres heeft op 10 juli 2026 een schriftelijke zienswijze op het aanvullende besluit ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb op 15 juli 2026 gesloten.
Overwegingen
De tussenuitspraak
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat verweerder in het besluit van 10 december 2025 onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar de Verenigde Staten niet tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling kan worden veroordeeld. Als eiseres hiertoe kan worden veroordeeld, loopt zij een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank heeft overwogen dat verweerder zijn besluit op dit punt beter dient te motiveren.
Het aanvullend besluit
2. In het aanvullende besluit heeft verweerder gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Verenigde Staten zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid tot vervroegde vrijlating. Verweerder doet hierbij een beroep op het arrest Sanchez-Sanchez v. The United Kingdom, waaruit volgt dat het aan de vreemdeling is om te onderbouwen dat hij of zij bij uitlevering een levenslange gevangenisstraf krijgt zonder regeling voor voorwaardelijke of vervroegde vrijlating en dat er in het land van herkomst geen regeling is die voorziet in herziening van de levenslange gevangenisstraf of die op andere wijze kan leiden tot invrijheidsstelling. Verweerder werpt eiseres verder tegen dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure in de Verenigde Staten nog niet vaststaat en de strafeis nog niet bekend is. Uit de wet volgt volgens verweerder in ieder geval niet dat eiseres zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Dat kan anders zijn bij verzwarende omstandigheden, waarvan volgens verweerder geen sprake is. Wel is sprake van een verzachtende omstandigheid, namelijk dat eiseres niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarmee geweld gepaard is gegaan. Verweerder verwijst verder naar vergelijkbare zaken die evenmin hebben geleid tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating.
Zienswijze op het aanvullende besluit
3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij het arrest Sanchez-Sanchez v. The United Kingdom, omdat dit geen asielzaak maar een uitleveringszaak betreft. Ook heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiseres in het geheel geen redenen heeft aangevoerd waarom een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating dreigt. Eiseres verwijst daarbij naar het uitleveringsverzoek, de beëdigde verklaring bij het uitleveringsverzoek (‘Affidavit’) van 22 april 2025, de aangehaalde wetgeving en vergelijkbare zaken.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld met het aanvullende besluit. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5. De rechtbank leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat in zaken waarin er een beroep wordt gedaan op artikel 3 van het EVRM het in eerste instantie aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij/zij het reële risico loopt om in een situatie te belanden die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit volgt ook uit het arrest Sanchez-Sanchez v. The United Kingdom, weliswaar een uitleveringszaak, waarnaar verweerder verwijst. Als een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM door de vreemdeling aannemelijk is gemaakt, dan is het aan verweerder om daarover alle twijfels weg te nemen. Artikel 3 van het EVRM heeft immers een absoluut karakter. Lidstaten kunnen de verplichtingen die uit dit artikel volgen niet naast zich neerleggen.
6. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Verenigde Staten het risico loopt veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 12 mei 2026, rechtsoverweging 8.3 tot en met 8.5. Daarin is overwogen dat eiseres in het aanvullend gehoor heeft verklaard over haar vrees dat een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd en dat dit wordt onderschreven door de Affidavit, waaruit blijkt dat bij veroordeling voor de in het arrestatiebevel opgenomen beschuldiging van ‘accessory before the fact of murder’, aan eiseres een levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling kan worden opgelegd, gelet op de uitspraak in de zaak Bixby. Het gaat om een reëel risico, nu niet enkel sprake is van een hypothetische mogelijkheid of subjectieve vrees van eiseres, maar haar vrees wordt gestaafd met een beëdigde verklaring van de autoriteiten waarin is vermeld dat het voorhanden bewijsmateriaal erop wijst dat eiseres schuldig is aan de strafbare feiten vermeld in de arrestatiebevelen. Dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling, zoals verweerder stelt, volgt de rechtbank niet. Verweerder legt met die stelling een te zware maatstaf aan.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet alle twijfels heeft weggenomen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure in de Verenigde Staten nog niet vaststaat en de strafeis nog niet bekend is, is feitelijk juist maar naar het oordeel van de rechtbank niet relevant omdat het niet wegneemt dat eiseres een reëel risico loopt op veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Niet ter discussie staat ook dat eiseres op dit moment ‘slechts’ wordt verdacht van medeplichtigheid aan en samenzwering tot moord op haar ex-partner en dat zij hiervoor nog niet terecht heeft gestaan. De verwijzing van verweerder naar paragraaf 16-3-20 van de South Carolina Code of Laws, waarin staat opgesomd wat de straffen voor moord kunnen zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres wordt in de eerste plaats niet verdacht van moord, maar van medeplichtigheid aan en samenzwering tot moord, waarvoor volgens de Affidavit wel degelijk levenslange gevangenisstraffen zonder kans op vervroegde vrijlating kunnen worden opgelegd. Verder volgt de rechtbank de stelling van verweerder niet dat er in geval van eiseres geen sprake is van verzwarende omstandigheden en wel van verzachtende omstandigheden. Uit het dossier blijkt dit immers niet. Dat er mogelijk verzachtende omstandigheden zijn is net zo min zeker als dat er sprake kan zijn van verzwarende omstandigheden. Het is aan de strafrechter hier uiteindelijk een oordeel over te vellen aan de hand van alle feiten en omstandigheden die in de strafzaak naar voren komen.
Ook de verwijzing van verweerder naar zaken in de Verenigde Staten waar verdachten niet zijn veroordeeld tot levenslange gevangenisstraffen zonder kans op vervroegde vrijlating, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder haalt enkel drie nieuwsberichten uit de Verenigde Staten aan, waaruit niet valt op te maken dat de zaken voldoende vergelijkbaar zijn met de zaak van eiseres om te onderbouwen dat zij geen risico loopt op veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Zoals de rechtbank al heeft overwogen wordt eiseres niet verdacht van moord. Verder kan uit de nieuwsberichten niet worden afgeleid of in de aangehaalde zaken sprake was van verzachtende omstandigheden. Verweerder heeft ook overigens geen meer objectieve informatie, zoals informatie over herzieningsmechanismes of percentages van zaken waarin levenslange gevangenisstraffen worden opgelegd, aangedragen waardoor twijfels over een risico op schending van artikel 3 EVRM zouden kunnen worden weggenomen.
8. Nu eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar de Verenigde Staten een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en verweerder niet alle twijfels daarover heeft weggenomen, is de rechtbank van oordeel dat met het aanvullende besluit het geconstateerde gebrek niet is hersteld. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
10. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres, met inachtneming van de tussenuitspraak van 12 mei 2026 en deze uitspraak.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.