ECLI:NL:RBDHA:2026:24927
Rechtbank Den Haag
- Uitspraak
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.40708
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Eerste beroep bewaring - 59b Vw - beoordeling belangenafweging - beroep ongegrond
Uitspraak
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) voordoen.
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de a-grond en de b-grond heeft bestreden. De minister heeft ter zitting de a-grond laten vallen. Weliswaar betwist eiser ook het tegenwerpen van de b-grond, maar de niet-bestreden gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd om een onderduikrisico aan te nemen, en kunnen daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor verdere bespreking van de b-grond.
Heeft de minister een juiste belangenafweging gemaakt?
5. Eiser stelt dat zijn vrouw en kind in het asielzoekerscentrum in [locatie] verblijven. Eiser voert aan dat hij bij zijn vrouw en kind in [locatie] een asielaanvraag wilde indienen, maar door de bewaringsmaatregel nu wordt gescheiden van zijn gezin.
5.1.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 februari 2026 al geoordeeld dat eiser niet (met zijn verklaringen of anderszins) aannemelijk heeft gemaakt dat hij een partner en kind in Nederland heeft en dat hij zorgdraagt voor hen. Er is geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen. Wat eiser aanvoert is onvoldoende om te concluderen dat de minister een lichter middel dan vreemdelingenbewaring had moeten toepassen. De beroepsgrond faalt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.