Procesverloop
2. De pluimveehouderij is gevestigd op het perceel [locatie 1] te [plaats] op ongeveer 140 meter afstand van het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Op het perceel staan vier stallen (stal C, E, F en G) waarin opfokhennen worden gehouden. Het college van gedeputeerde staten heeft aan het bedrijf op 19 november 2012 een natuurvergunning verleend. In deze natuurvergunning zijn in stal C 5000 opfokhennen vergund, in stal E 16.600 opfokhennen, in stal F 24.852 opfokhennen en in stal G 17.900 opfokhennen. In totaal kunnen dus 64.352 opfokhennen worden gehouden.
2.1.
Eiseres is sinds 2022 eigenaresse van het buurperceel [locatie 2]. De dichtstbijzijnde stal staat op ongeveer 50 meter van haar woning. Zij geeft aan overlast te ondervinden van de veehouderij.
2.2.
Eiseres heeft het college op 10 januari 2024 verzocht om de natuurvergunning van 19 november 2012 in te trekken.
2.3.
Op 22 februari 2024 heeft de veehouderij een aanvraag ingediend voor een nieuwe natuurvergunning. Onderdeel van deze aanvraag vormt de “Toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu”, waarin de vergunninghouder een onderbouwing geeft van de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de Natura 2000-gebieden. In deze toelichting staat dat het gaat om de volgende wijzigingen ten opzichte van de natuurvergunning van 19 november 2012:
“• het tijdelijk in gebruik zijn van stal C voor de opslag van materialen (zonder milieubelasting) ten behoeve van het agrarisch bedrijf of van de aanvrager, wanneer in deze stal geen dieren worden gehouden;
• het verlagen van de bezetting in stal C naar 4.500 dieren, wanneer in deze stal dieren worden gehouden;
• het veranderen van de code van het huisvestingssysteem in stal F (feitelijk verandert niets in deze stal, bedoeld is E 1.100 in plaats van E 1.7);
• het plaatsen en in gebruik hebben van een biomassa gestookte verwarmingsinstallatie in stal G met daarbij een opslagsilo voor houtpellets met een capaciteit van 20 ton;
• wijziging van de luchttoevoer uit de stallen F en G naar de mestdrooginstallatie tussen de stallen F en G;
• Het aanpassen van de mestdrooginstallatie en deze in overeenstemming brengen met de systeembeschrijving behorende bij E 6.4.2 (droogtunnel met geperforeerde platen, BWL 2007.09.V4).”
2.4.
Op 6 juni 2024 heeft eiseres het college verzocht om handhavend op te treden.
Dit handhavingsverzoek is aangevuld op 1 juli 2024, 2 juli 2024, 20 juli 2024, 31 juli 2024, 24 augustus 2024, 23 oktober 2024, 24 oktober 2024, 26 oktober 2024 en 28 oktober 2024.
2.5.
Het ontwerpbesluit van 1 augustus 2024 tot weigering van het intrekkingsverzoek heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Eiseres heeft een zienswijze ingediend.
2.6.
De ontwerp-natuurvergunning van 23 oktober 2024 heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Eiseres heeft een zienswijze ingediend.
2.7.
Het college heeft in het besluit van 9 oktober 2024 (het bestreden besluit I) geweigerd om de natuurvergunning in te trekken. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep heeft zaaknummer 24/7069.
2.8.
Het college heeft in het primaire besluit van 27 november 2024 geweigerd om handhavend op te treden tegen vergunninghouder. Volgens het college is er geen sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 5.5, tweede lid, onder f, van de Omgevingswet, zodat hij niet bevoegd is om handhavend op te treden.
2.9.
Het college heeft in het besluit van 10 december 2024 (het bestreden besluit II) een natuurvergunning verleend met toepassing van intern salderen. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep heeft zaaknummer 24/9054.
2.10.
Het college heeft in de beslissing op bezwaar van 20 mei 2025 (het bestreden besluit III) het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, maar met een aangepaste motivering vastgehouden aan de afwijzing van het handhavingsverzoek. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep heeft zaaknummer 25/2300.
2.11.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De veehouderij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.12.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres en haar dochter, namens het college, mr. A. Speekenbrink, en namens de veehouderij, mr. Tj. P. Grünbauer en [persoon A].