Procesverloop
2. Op 15 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken. Ook heeft de korpschef geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor een jachtgeweeractiviteit.
2.1.
Met de beslissing van 14 maart 2025 op het administratief beroep van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op het administratief beroep. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.4.
De rechtbank heeft op 17 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een gebrek in de beslissing op het administratief beroep. De rechtbank heeft overwogen dat:
“5.2. De beroepsgrond slaagt. In artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d (bevoegdheid tot intrekking), en artikel 8.74t, tweede lid, onder e (bevoegdheid tot weigering), van het Bkl is niet bepaald dat een buitenlandse veroordeling gelijk wordt gesteld met een veroordeling in Nederland, voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld. De tekst van deze artikelen biedt ook geen aanknopingspunten voor deze ruime uitleg, aangezien expliciet wordt verwezen naar de Nederlandse artikelen. De door de minister aangehaalde passage in de Cwm 2019, maakt dat niet anders. Deze passage ziet namelijk specifiek op de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking en weigering vanwege de ‘vrees voor misbruik’.
5.3
Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat ook de vrees voor misbruik ten grondslag kan worden gelegd aan intrekking van de jachtakte en de weigering van de vergunning
, stelt de rechtbank vast dat de besluitvorming daar niet op is gebaseerd. Het primaire besluit, waarbij de jachtakte is ingetrokken en de nieuwe vergunning is geweigerd, is namelijk uitsluitend gebaseerd op artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d (bevoegdheid tot intrekking), respectievelijk artikel 8.74t, tweede lid, onder e (bevoegdheid tot weigering), van het Bkl. Weliswaar heeft de korpschef in het verweerschrift hangende het administratieve beroep betwijfeld of een veroordeling in Duitsland bij de toepassing van deze artikelen aanleiding kan geven voor de intrekking en de weigering en is deze daarbij ook ingegaan op de vrees voor misbruik, maar de grondslag van het primaire besluit is hangende het administratief beroep niet aangepast. De minister heeft de grondslag vervolgens ook niet (in elk geval niet expliciet) aangepast in het besluit op het administratief beroep. Ook is de minister daarin ingegaan op (het kader met betrekking tot) de vrees voor misbruik, maar onvoldoende duidelijk is dat het besluit op het administratief beroep daar uiteindelijk mede op is gebaseerd. Ook tijdens de zitting is dit standpunt niet ingenomen.
5.3.1.
Daarnaast heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting verklaard dat in het besluit op het administratief beroep gewicht is toegekend aan het feit dat voor toekomstige aanvragen van eiser een terugkijktermijn zal worden gehanteerd van vier jaar7 (en niet van acht jaar, zoals de korpschef zou willen doen).8 Deze termijnen hebben betrekking op het kader dat van toepassing is op de beoordeling van de vrees voor misbruik. Dit zou betekenen dat de veroordeling in Duitsland bij een nieuwe aanvraag eiser niet langer zou worden tegengeworpen als op het moment van de nieuwe aanvraag inmiddels vier jaar zijn verstreken sinds die veroordeling. Ook dit standpunt kan de rechtbank niet plaatsen. Ten eerste is de genoemde termijn van vier jaar in het besluit op het administratief beroep alleen opgenomen onder het kopje “Wettelijk kader” en niet bij de beoordeling van het administratieve beroep. Hierdoor is onduidelijk welke betekenis daaraan is toegekend bij de beoordeling van het besluit van de korpschef door de minister. Daarnaast geldt dat überhaupt de vraag is wat de betekenis is van dit standpunt van de minister, aangezien de korpschef degene is die in eerste instantie zal moeten beslissen over een nieuwe aanvraag. Uit het besluit op het administratief beroep en dat wat op zitting naar voren is gebracht blijkt dan ook onvoldoende hoe de minister dit heeft willen betrekken bij de beoordeling van het besluit van de korpschef om de jachtakte van eiser in trekken en een nieuwe vergunning te weigeren. Het besluit is in zoverre ook onvoldoende gemotiveerd.”
2.5.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen. Op 7 mei 2026 heeft de minister de beslissing op het administratief beroep van 14 maart 2025 aangevuld met een aanvullende overweging.
2.6.
Eiser heeft bij brief van 8 juni 2026 gereageerd op de brief van de minister van 7 mei 2026. Deze reactie heeft geleid tot een nadere vraagstelling van de rechtbank van 9 juni 2026. In die brief staat onder andere:
“De rechtbank geeft de minister gelegenheid om te reageren op de brief van eiser van 8 juni 2026 en verzoekt de minister daarbij expliciet in te gaan op hetgeen eiser heeft gesteld over
rechtsoverweging 5.3.1. van de tussenuitspraak met betrekking tot de terugkijktermijn. Concreet vraagt de rechtbank of de minister het op de zitting ingenomen standpunt handhaaft of dat dit is verlaten. Indien de minister het standpunt handhaaft, wordt verzocht dit nader toe lichten.”
2.7.
De minister heeft bij brief van 26 juni 2026 gereageerd op de vraagstelling van de rechtbank.
2.8.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.