1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Arnhem opzettelijk brand heeft gesticht door (in zijn, verdachtes kamer) open vuur in aanraking te brengen met een matras en/of textiel, althans met enig ander brandbaar materiaal, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in
die kamer en/of in de omringende kamers aanwezige goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in dat gebouw aanwezige (overige) bewoners en/of medewerkers (van [instelling] ) te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een matras, een gordijn en/of een bed, althans huisraad, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar
gemaakt en/of weggemaakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 6 oktober 2024 omstreeks 10:45 uur is er brand ontstaan op de gesloten afdeling van psychiatrische zorginstelling [instelling] , gelegen aan [adres] in Arnhem. De brand ontstond in de kamer van verdachte, die op dat moment als patiënt bij [instelling] verbleef.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich, gelet op de verklaring van verdachte, ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
De politie heeft forensisch onderzoek gedaan naar het ontstaan van de brand. In de kamer van verdachte zag de onderzoeker beroeting op het plafond, de wanden en de ramen in de kamer, afnemend van hoog naar laag. Ook de meubels in de ruimte waren beroet. Het matras op het bed aan de raamzijde was deels weggebrand. Op de wand daarboven zag de onderzoeker een roetafzetting in een kenmerkende V-vorm. Onder deze V-vorm was de wand deels schoongebrand, met een donkere verkleuring passend bij de inwerking van vuur en hitte. Het matras was aan de zijde van het raam voor ongeveer een derde deel weggebrand. Op het bed lag een deels weggesmolten of weggebrand gordijn. De aangetroffen brandindicatoren en brandpatronen duiden er volgens de onderzoeker op dat de brand is ontstaan in de hoek van de kamer, op het matras van het bed bij het raam. In de verbrande resten van het matras werden behalve resten van een laken en een dekbed geen sporen of sporendragers aangetroffen die duidelijkheid kunnen geven over de oorzaak van de brand. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. Er zijn geen aannemelijke en/of aanwijsbare aanwijzingen gevonden dat de brand is ontstaan door een storing of gebrek aan de stroomaansluiting. Ook voor een mechanische oorzaak voor het ontstaan van de brand werden geen aanwijzingen gevonden. De onderzoeker concludeert dat de brand vermoedelijk is ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen of achterlaten van open vuur in het ontstaansgebied.
Ten aanzien van de gevaarzetting beschrijft de onderzoeker dat de kamer deel uitmaakt van een gesloten afdeling voor psychiatrische zorg met meerdere bewoonde kamers, gemeenschappelijke ruimten en personeelsruimten. De bij de brand opgetreden rookontwikkeling heeft zich verspreid en heeft een gevaar gevormd voor de aanwezige personen. Op deze afdeling bevonden zich tijdens de brand meerdere patiënten en medewerkers die door de gealarmeerde hulpdiensten werden geëvacueerd. Volgens de onderzoeker is niet uit te sluiten dat bij een verdere ontwikkeling van deze brand en de bijkomende rookontwikkeling, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen en gemeen gevaar voor goederen was opgetreden.
[getuige] , verpleegkundig medewerkster bij [instelling] , is door de politie als getuige verhoord. Zij heeft als volgt verklaard. Direct nadat de brand werd opgemerkt, werden alle cliënten naar de recreatieruimte gebracht. De cliënten hadden allemaal een angstige en/of
gespannen blik, met uitzondering van verdachte. Verdachte lag ontspannen op de bank in de recreatieruimte, met een capuchon over zijn hoofd en een glimlach op zijn gezicht. [getuige] hoorde hem een aantal keren zeggen en roepen dat er brand was. Toen een collega van [getuige] aan verdachte vroeg hoe dit kon komen, antwoordde verdachte: "Weet van niets", in een jolige stemming.
Verdachte heeft tijdens het tweede verhoor bij de politie op 8 oktober 2024 verklaard dat hij het bed in zijn kamer in brand heeft gezet door een T-shirt aan te steken. Daarna is hij de kamer uitgegaan. Hij wilde dat de brandweer en de politie zouden komen, zodat hij na drie dagen zitten vrij zou komen en een joint kon roken.
In het verhoor bij de rechter-commissaris op 9 oktober 2024 heeft verdachte verklaard dat hij de brand heeft aangestoken omdat hij moe was en daar weg wilde.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het T-shirt wel heeft aangestoken, maar het niet de bedoeling was om een grote brand te stichten. Hij deed het uit verveling en omdat hij in de war was. Uit de verklaringen die hij eerder had afgelegd, en uit de getuigenverklaring van [getuige] , leidt de rechtbank echter af dat verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht, met het doel om de instelling te mogen verlaten.
Als gevolg van de brand is er gemeen gevaar ontstaan voor de goederen in de kamer en in omringende kamers, welk gevaar zich voor de goederen in de kamer van verdachte ook heeft verwezenlijkt. Ook was er als gevolg van de brand levensgevaar en gemeen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij anderen te duchten. Uit het forensisch onderzoek volgt dat de kamer van verdachte zich bevond op de gesloten afdeling van een instelling voor psychiatrische zorg, met meerdere bewoonde kamers, gemeenschappelijke ruimten en personeelsruimten. De kamers naast en tegenover de kamer van verdachte werden ten tijde van de brand bewoond door andere patiënten. De bij de brand opgetreden rookontwikkeling heeft zich verspreid en heeft daarmee een gevaar gevormd voor de aanwezige personen. Bij verdere ontwikkeling van de brand was dit gevaar alleen maar toegenomen.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting.