1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 november 2022 te Hattem, althans (elders) in Nederland,(van) een (groot) contant geldbedrag, te weten: - in totaal (ongeveer)21.500,00 euro, althans een of meer voorwerpen,- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of- gebruik heeft gemaakt,terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – (deels) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op 30 november 2022 reed verdachte in een voertuig met kenteken [kenteken] en is hij staande gehouden op de carpoolplaats te Hattem. Bij doorzoeking van het voertuig is in het dashboardkastje een sealbag aangetroffen met meerdere, met elastieken gebundelde, bundels eurobiljetten. In totaal is een bedrag van € 21.500,00 aangetroffen. De bundels bestonden uit:
25 biljetten van € 100,00;
262 biljetten van € 50,00;
228 biljetten van € 20,00;
99 biljetten van € 10,00;
70 biljetten van € 5,00.
Verdachte heeft verklaard dat het geld van hem is, dat hij het geld zelf in het voertuig heeft gelegd en dus wist dat dit geld er lag.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder het eerste, vierde en vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde opzetwitwassen. Voor de overig aan verdachte ten laste gelegde handelingen zou vrijspraak moeten volgen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verdediging stelt allereerst dat de verbalisanten zonder aanleiding daartoe het voertuig van verdachte aan een technisch onderzoek hebben onderworpen, op basis van een ANPR-hit. Vervolgens heeft een doorzoeking van het voertuig plaatsgevonden, terwijl verdachte daartoe geen toestemming had gegeven. Ook heeft de politie ten onrechte en zonder machtiging van de rechter-commissaris onderzoek aan de telefoon van verdachte verricht. In beide gevallen dient bewijsuitsluiting te volgen.
Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte het geld niet heeft verhuld en dat hij een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld. Het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar die verklaring en derhalve kan niet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf: vormverzuimen
Doorzoeking auto
De rechtbank begrijpt dat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, omdat de doorzoeking van de auto onrechtmatig was. Volgens de verdediging moet daarop worden gereageerd met bewijsuitsluiting. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten blijkt dat zij op 30 november 2022 een ANPR-hit kregen op een voertuig. Uit de beschikbare politiesystemen bleek dat verdachte mogelijk de gebruiker van dit voertuig zou zijn. Verdachte kwam recent binnen de politiesystemen voor in verband met de Opiumwet en witwassen. Het voertuig was op 8 juni 2022 in het referentiebestand geplaatst in verband met ondermijnende criminaliteit met als doel om dit voertuig te controleren. De verbalisanten hebben de bestuurder een volgteken gegeven ter controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Na controle van het rijbewijs werd verdachte geïdentificeerd als bestuurder van het voertuig. Verbalisant [verbalisant 1] verzocht verdachte de motorkap te openen, zodat de technische staat van het voertuig kon worden onderzocht. Op basis van het rij- en kentekenbewijs werd duidelijk dat verdachte niet de eigenaar van het voertuig was. Verbalisanten zagen dat de eigenaar ook niet uit de buurt kwam. De verbalisant vroeg verdachte of in de gesloten laadruimte nog goederen lagen en hoorde verdachte zeggen dat de verbalisanten in zijn voertuig mochten kijken.
Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] voerden een technische controle aan het voertuig uit. Zij controleerden het chassisnummer van het voertuig, de vloeistoffen, of de accu vast zat, of de autogordels werkten, de staat van de banden en de algemene staat van het voertuig. Daarbij viel het hen op dat er een stroomdraad vanaf de onderzijde van de cardanas tunnel naar de laadruimte van het voertuig liep. Deze stroomdraad was niet origineel en kon alleen achteraf aangebracht zijn. Ook zagen zij diverse beschadigingen op het dashboard zitten, waardoor zij het vermoeden kregen dat er een verborgen ruimte in het voertuig aanwezig zou kunnen zijn. Het is hen ambtshalve bekend dat verborgen ruimtes gebruikt worden om strafbare zaken/goederen zoals drugs, wapens of contant geld, aan het ambtelijk toezicht te kunnen onttrekken.
Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] doorzochten het voertuig. [verbalisant 2] opende het dashboardkastje van het voertuig en trof daarin geen bijzonderheden aan. [verbalisant 3] keek in de laadruimte van het voertuig en trof daar geen bijzonderheden aan. Verbalisant [verbalisant 1] sloot aan bij de doorzoeking. Hij keek daarbij achter het dashboard van het voertuig, waarbij het hem opviel dat aan de bijrijderszijde geen airbagunit aanwezig was, wat hij bij een voertuig van dit bouwjaar zou verwachten. Hierop opende [verbalisant 1] het dashboardkastje van het voertuig en trof daarin een sealbag aan met meerdere bundels van 50,- euro biljetten, 100,- euro biljetten en 20,- euro biljetten. Hij zag dat de biljetten met elastieken waren gebundeld. [verbalisant 1] heeft verklaard dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gezegd kan worden dat het geld zich in eerste instantie bevond in de ruimte waar de airbagunit had moeten zitten en dat dit geld, door het meerdere malen openen van het dashboardkastje, door het gat boven het dashboardkastje is doorgeschoten, het dashboardkastje in.
Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie over de doorzoeking verklaard: “Zij vroegen mij of ze in de bestelbus mochten kijken en ik vond dat goed. Ik heb niks te verbergen.”
De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de geverbaliseerde bevindingen van de verbalisanten en de volgorde daarvan. Verder heeft verdachte tijdens zijn verhoor verklaard dat hij het goed vond dat de verbalisanten in zijn auto keken.
Over de aanleiding voor de doorzoeking van de auto van verdachte, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 160 WVW heeft de politie de bevoegdheid om toezicht te houden op de verkeersveiligheid en daartoe controles te doen. Het staat de politie in beginsel vrij om te kiezen welke auto’s zij wel en niet controleren. Als de politie inzage heeft gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig, zoals in dit geval is gebeurd, dan mag worden aangenomen dat de bevoegdheden van artikel 160 WVW voor dat doel zijn uitgeoefend. In dat geval is het politieoptreden in beginsel rechtmatig. Dat geldt ook als die bevoegdheid daarnáást het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt. De politie had dus in dit geval de bevoegdheid om ervoor te kiezen de auto van verdachte aan een verkeerscontrole te onderwerpen en verdachte om zijn rij- en kentekenbewijs te vragen, ook al was dat naar aanleiding van een ANPR-hit.
Uit het proces-verbaal van bevindingen is gebleken dat vervolgens een controle werd uitgevoerd op de technische staat van het voertuig. Daarbij controleerden de verbalisanten het chassisnummer van het voertuig, de vloeistoffen, of de accu vast zat, of de autogordels werkten, de staat van de banden en de algemene staat van het voertuig. De rechtbank stelt vast dat de politie op grond van artikel 160, lid 4, jo. artikel 159 WVW verkeersvoorschriften mag controleren.
Tijdens het technisch onderzoek viel het de verbalisanten op dat er een (niet originele, achteraf aangebrachte) stroomdraad vanaf de onderzijde van de cardanastunnel naar de laadruimte van het voertuig liep. Ook zagen zij diverse beschadigingen op het dashboard zitten. Daardoor kregen zij het vermoeden dat er een verborgen ruimte in het voertuig aanwezig zou kunnen zijn, waarvan hen ambtshalve bekend is dat hierin strafbare goederen kunnen liggen. Deze omstandigheden rechtvaardigen het redelijk vermoeden dat er strafbare goederen aanwezig waren in de auto en dit was aanleiding om het voertuig te doorzoeken. Bovendien had verdachte de verbalisanten toestemming verleend om in zijn auto te kijken.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verbalisanten hun controlebevoegdheid op grond van de WVW voor een ander doel hebben gebruikt dan waarvoor deze is gegeven (détournement de pouvoir). Gelet op wat hiervoor is besproken, was de politie bevoegd de auto te doorzoeken en het dashboardkastje te openen. De doorzoeking van de auto heeft dus op rechtmatige wijze plaatsgevonden. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Telefoon van verdachte
De verdediging stelt dat de politie ten onrechte en zonder machtiging onderzoek heeft verricht aan de telefoon van verdachte en heeft bepleit dat de bevindingen van het bewijs worden uitgesloten.
De rechtbank overweegt dat zij de bevindingen naar aanleiding van het onderzoek aan de telefoon van verdachte niet als bewijs zal gebruiken, zoals hierna zal blijken. Op het verweer van de raadsman behoeft daarom niet te worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Beoordelingskader
Aan verdachte is – kortgezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ‘witwassen’ van het geld dat in het dashboardkastje is aangetroffen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat er geen rechtstreeks verband is gelegd met een bepaald misdrijf waaruit het onder verdachte aangetroffen geld afkomstig is. In dat geval kan het ten laste gelegde witwassen bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. De rechtbank dient op grond van vaste jurisprudentie bij de toetsing de volgende stappen te doorlopen:
allereerst moet vastgesteld worden dat de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld uit enig misdrijf afkomstig is;
indien van een dergelijk vermoeden sprake is, dan mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld waarvan wordt vermoed dat het uit witwassen afkomstig is. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk te zijn;
als verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring, met andere woorden: naar de in die verklaring beschreven alternatieve herkomst van dat geld;
indien op basis van dit (nader) onderzoek met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waar de verdenking betrekking op heeft, een legale herkomst heeft, kan worden gesteld dat er sprake is van ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Immers, de enige aanvaardbare verklaring voor de herkomst van het geld is dan een criminele herkomst;
als bewezen kan worden dat verdachte wist van die criminele herkomst, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat de herkomst crimineel was, kan witwassen bewezen worden verklaard.
Toepassing beoordelingskader
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor uiteengezet, zonder meer een vermoeden van witwassen tegen verdachte gerechtvaardigd is. In de auto van verdachte is een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen, te weten
€ 21.500,00. De meerdere, met elastieken gebundelde en uit verschillende coupures bestaande, bundels biljetten zijn aangetroffen in het dashboardkastje van de auto. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten is gebleken dat de eerste verbalisant die in het dashboardkastje keek daarin geen bijzonderheden zag en dat de tweede verbalisant, die nadat hij eerst achter het dashboardkastje keek en vervolgens het dashboardkastje opende, de sealbag met bundels contant geld aantrof. De rechtbank gaat er daarom – net als de verbalisanten – vanuit dat de sealbag zich in eerste instantie bevond in de ruimte boven het dashboardkastje, waar een airbagunit had moeten zitten, en dus in eerste instantie verborgen was.
Gelet op het vermoeden dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf mag van verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete en verifieerbare verklaring geeft over de herkomst van het geld. Verdachte heeft verklaard dat het aangetroffen geld afkomstig is van de verkoop van kleding via zijn website. Hij had het geld bij zich om komend weekend aankopen te doen in Parijs, ten behoeve van zijn bedrijf. Dat bedrijf is ondergebracht in de vennootschap onder firma waarvan verdachte samen met zijn zus vennoot is, [bedrijf] V.O.F. Hij heeft verklaard dat hij al jaren gebruikmaakt van contant geld, omdat hij dan bij de groothandel meer kleding krijgt, en dat hij in zijn bedrijf een werkbedrag van minimaal
€ 20.000 per maand hanteert dat wordt geïnvesteerd in de inkoop van kleding. Verdachte heeft daarmee een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens nader onderzoek gedaan naar de in die verklaring beschreven alternatieve herkomst van het geld.
Verdachte heeft op verzoek aan de politie bankafschriften overgelegd van een tweetal (zakelijke) rekeningen ten name van [bedrijf] V.O.F.: de bankrekening [rekeningnummer] en de bankrekening [rekeningnummer] . De politie heeft de (op vordering van de politie door de desbetreffende banken aangeleverde) gegevens van deze twee rekeningen en van nog een andere zakelijke bankrekening [rekeningnummer] ontvangen, over de periode 30 november 2020 tot en met 30 november 2022. Van die laatste rekening had verdachte geen gegevens overgelegd. De politie heeft onderzoek verricht naar deze drie bankrekeningen en heeft geconcludeerd dat de contante opnames niet toereikend zijn als verklaring voor de herkomst van het inbeslaggenomen bedrag. Van de bankrekening [rekeningnummer] zijn in de onderzochte periode van twee jaren 51 opnames gedaan van totaal € 7.350,00. Van de andere twee rekeningen zijn geen contante opnames gedaan in de onderzochte periode.
Daarnaast heeft de politie (door de desbetreffende banken op vordering van de politie aangeleverde) - niet door de verdachte aangeleverde - gegevens van (privé)bankrekeningnummers ontvangen, over de periode 30 november 2020 tot en met 30 november 2022. De politie heeft onderzoek verricht naar deze drie bankrekeningen en heeft geconcludeerd dat de contante opnames niet toereikend zijn als verklaring voor de herkomst van het inbeslaggenomen bedrag. Van de bankrekening [rekeningnummer] zijn geen contante opnames gedaan. Van de bankrekening [rekeningnummer] zijn de volgende contante opnames gedaan:
2020: € 0,00
2021: € 100,00
2022: € 2.390,00
Van de bankrekening [rekeningnummer] zijn de volgende contante opnames gedaan, met een totaal van € 15.380,00:
2020: € 6.250,00
2021: € 6.990,00
2022: € 2.140,00.
Verder is uit onderzoek gebleken dat het bedrijf van verdachte in 2020 een omzet had van
€ 39.573,00, in 2021 en 2022 een omzet van € 0,00 en in 2023 een omzet van € 1.926,00. Ook is gebleken dat verdachte geen (andere) inkomsten of spaargelden had.
De rechtbank overweegt dat verdachte weliswaar een verklaring heeft afgelegd, maar geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Hij heeft maar van twee zakelijke rekeningen bankafschriften verstrekt (terwijl hij nog over een derde bankrekening beschikte), waarvan een overgroot deel ontbreekt (zoals uit de paginanummering blijkt). De door de politie onderzochte bankgegevens (inclusief de gegevens over zijn privérekeningen) kunnen niet het contante geldbedrag verklaren dat bij verdachte in de auto is aangetroffen. Immers, niet is gebleken dat verdachte in de periode voorafgaand aan 30 november 2022 contante opnames heeft gedaan met een omvang die strookt met zijn verklaring. Hoewel de politie tot twee jaar voorafgaand aan de aanhouding onderzoek heeft gedaan, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat contante opnames uit 2020 en 2021 van zijn zakelijke en privérekeningen nog onderdeel zijn van de € 21.500,00 die op 30 november 2022 bij verdachte is aangetroffen. Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte over dat contante geldbedrag heeft verklaard dat hij daarmee inkopen moest doen voor zijn bedrijf, terwijl dat bedrijf kennelijk in zowel 2021 als 2022 geen omzet heeft gedraaid en het dus ook niet aannemelijk is dat hij daarvoor inkopen diende te doen. Bovendien zijn de contante opnames op de zakelijke bankrekeningen in de periode 2020 tot 2022 veel lager dan het onder verdachte aangetroffen contante geldbedrag. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat ook gekeken moet worden naar de contante opnames in 2019, ligt de verwerping van dat betoog eveneens besloten in voorgaande overwegingen van de rechtbank.
Kortom: de verklaring van verdachte ontzenuwt het bewijsvermoeden - dat het aangetroffen geld uit enig misdrijf afkomstig is - niet. De rechtbank acht de resultaten van het door het Openbaar Ministerie verrichte nadere onderzoek van dien aard dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte wist van die criminele herkomst van het geld.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag van € 21.500,00 door de vindplaats hiervan te verbergen dan wel te verhullen, door dat bedrag in een verborgen ruimte boven het dashboardkastje van zijn auto te vervoeren.