ECLI:NL:RBGEL:2026:6342
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- 05/003866-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van € 86.000,- aan contant geld en het aanwezig hebben van ongeveer 6 kilo heroïne tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 3 januari 2025, te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een geldbedrag met een totaal van €86.000,-, althans enig geldbedrag, (sub b)- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 januari 2025, te Arnhem, althans in Nederland, (van) een geldbedrag met een totaal van €86.000,-, althans enig geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die geldbdrag(en) onmiddellijk afkomstig was uitenig eigen misdrijf;
2.hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijkheeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6060,40 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.
Als verweer tegen de bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde opzetwitwassen, voert zij aan dat verdachte niet wist, en evenmin de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Daarnaast heeft hij geen objectieve verhullende handeling verricht. Ook kan schuldwitwassen volgens de raadsvrouw niet worden bewezen. Zij voert daarover aan dat verdachte weliswaar naïef is geweest, maar dat dat enkele gegeven niet genoeg is om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid te kunnen aannemen. Bovendien is volgens haar in beide varianten geen sprake van medeplegen. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair geldt dat verdachte hiervoor niet kan worden veroordeeld, omdat deze strafbaarstelling zich uitsluitend richt op het voorhanden hebben van een voorwerp afkomstig uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Ook hiervan moet verdachte worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 geldt dat verdachte geen wetenschap had van de inhoud van de tassen en evenmin de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat er heroïne in de tassen zou zitten, wat wel nodig is om al dan niet voorwaardelijk opzet aan te kunnen nemen. Daarom moet verdachte eveneens worden vrijgesproken van feit 2.
Beoordeling door de rechtbank
De bewijsmiddelen
Op 3 januari 2025 zagen verbalisanten dat een Ford Focus parkeerde op de parkeerplaats van een winkelcentrum in Arnhem. De bestuurder, medeverdachte [medeverdachte] , en de bijrijder, [naam] , allebei uit Den Haag, stapten omstreeks 16:02 uur uit. [medeverdachte] keek opvallend om zich heen en was druk aan het bellen. Na enige tijd maakte hij met zijn telefoon foto’s van de parkeerplaats. Vervolgens stapte [medeverdachte] weer in en verplaatste zijn auto twee parkeervakken naar voren.
Omstreeks 16:34 uur liep verdachte de parkeerplaats op. Hij was druk aan het bellen en keek ondertussen constant om zich heen. Vervolgens parkeerde een Volkswagen Golf 5 op het parkeerterrein. Uit deze auto stapten twee mannen, die contact maakten met verdachte. Vervolgens liepen zij met zijn drieën richting de Harriet Freezerstraat en verdwenen uit beeld.
Omstreeks 16:36 uur kwam verdachte terug op het parkeerterrein. Hij maakte contact met [medeverdachte] en stapte als bijrijder in de Ford Focus, die het parkeerterrein verliet en tegenover de Jumbo op de Harriet Freezerstraat parkeerde. Verdachte liep met lege handen naar een rode Renault Megane met kenteken [kenteken] , die hij van zijn vriendin had geleend, en pakte een witte, gevulde draagtas uit de kofferbak van deze auto. Hij liep met de witte draagtas in zijn hand naar de Ford Focus en droeg de tas over aan [medeverdachte] . [medeverdachte] opende de rechterachterdeur van de auto. Hij was bezig bij dat portier en vervolgens bij de kofferbak.
Toen een van de verbalisanten zich kort hierna als zodanig had kenbaar gemaakt en ter plaatse aan verdachte vroeg of hij de sleutel van de Renault had, antwoordde verdachte in eerste instantie ontkennend. De verbalisant merkte dat verdachte zeer zenuwachtig was, stotterde, verwijde pupillen had en niet zo goed uit zijn woorden kwam. Uiteindelijk bleek dat verdachte een autosleutel in zijn zak had. In de kofferbak van de Renault lagen twee tassen met in iedere tas een dichtgeknoopte vuilniszak. In de vuilniszakken zat geseald poeder. Het bleek te gaan om in totaal 6.060,4 gram heroïne.
In de kofferbak van de Ford Focus lag een plastic zak met een grote hoeveelheid bankbiljetten, in totaal € 86.000,-. Dit betrof dezelfde tas die verdachte aan [medeverdachte] had overgedragen.
Verdachte had een telefoon bij zich. Hierop is een WhatsApp-gesprek aangetroffen met ‘ [naam] ’. Op 3 januari 2025 om 14:31 uur stuurde [naam] hem een doorgestuurde foto van een Libanees geldbiljet en een doorgestuurd bericht met de tekst ‘16.30 uur orda’. Om 16:22:04 uur stuurde [naam] de tekst ‘Orda gri glof’, wat volgens Google Translate ‘grijze golf daar’ betekent. Er werd ook een doorgestuurde foto verzonden van de parkeerplaats waar [medeverdachte] had gestaan en waarvan hij een foto had gemaakt. Verdachte stuurde [naam] een foto van de Aldi waar hij contact had gemaakt met [medeverdachte] en [naam] . Verdachte verstuurde omstreeks 16:38 uur een foto van hetzelfde geldbiljet aan [naam] . Bij de insluitingsfouillering van verdachte bleek dit zelfde bankbiljet in zijn zak te zitten.
Verdachte heeft verklaard dat hij werd gebeld door ‘ [naam] ’, een kennis van hem. [naam] wist dat verdachte het financieel moeilijk had en vroeg verdachte of die iets voor hem kon transporteren. Verdachte kreeg spullen en een telefoon van hem. Hij heeft de spullen aan iemand meegegeven die hij niet kende. Verdachte heeft er niet in gekeken, maar dacht dat er misschien hasj in zat. Tone verdachte [naam] leerde kennen, dacht verdachte namelijk al dat hij bezig was met hasj. Hij kreeg het adres van [naam] en moest naar een parkeerplaats bij de Aldi. Verdachte heeft een tasje met geld gegeven aan twee mensen met een grijze auto die hij niet kende. Verdachte heeft
€ 750,- contant gekregen voor het transporteren. Verdachte dacht wel dat het niet echt legaal was, anders zouden ze hem niet betalen, maar verdachte zat in moeilijkheden en wilde gewoon geld verdienen.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van beide feiten
De rechtbank stelt vast dat verdachte, kort gezegd, bij de politie heeft verklaard dat hij op verzoek van een kennis, die door verdachte [naam] wordt genoemd, en tegen betaling, goederen heeft getransporteerd, te weten een grote hoeveelheid heroïne en een groot geldbedrag in contanten. Verdachte stelt dat hij niet wist wat hij vervoerde, en ook niet wat hij daarvan aan de man overdroeg die later [medeverdachte] bleek te heten.
Verdachte heeft bij de politie verklaringen afgelegd, die erop duiden dat hij wel wist dat wat hij in zijn auto had, niet legaal was. Zo heeft hij verklaard dat hij dacht dat het ging om hasj, dat ze hem niet voor niets voor de opdracht betaalden en dat hij normaal gesproken zoiets niet zou doen, (om)dat hij in de schuldsanering zat.
De rechtbank gebruikt deze verklaringen van verdachte bij de politie voor het bewijs nu die kort na de aanhouding zijn afgelegd, gedetailleerd zijn, en consistent zijn. Ook geeft wat uit de bewijsmiddelen blijkt over de wijze waarop de overdracht van het geld plaatsvond, steun aan de verklaring dat verdachte bij het aanvaarden van de opdracht dacht dat het illegale zaken zou gaan, meer specifiek om drugs (zij het hasj).
De rechtbank stelt over die gang van zaken vast dat verdachte via de telefoon die hij van [naam] had gekregen het adres doorkreeg waar hij moest zijn. Vervolgens hebben zowel verdachte als [medeverdachte] foto’s gemaakt van de locatie waar zij stonden, kennelijk om dit aan een derde of aan derden door te geven. Ook stuurde ene ‘ [naam] ’ voorafgaand aan de ontmoeting tussen verdachte en de andere betrokkenen een foto aan verdachte waarop onder meer een bankbiljet stond met het nummer daarvan duidelijk en centraal in beeld. Dit bankbiljet is later bij verdachte aangetroffen. Dit is, zo weten de verbalisanten ambtshalve, in het criminele milieu een gebruikelijke manier om personen te identificeren met wie men zaken doet, maar die men niet eerder in persoon heeft gezien. Uit hun ervaring putten de verbalisanten ook de wetenschap dat een dergelijke overdracht vaak gecoördineerd wordt door een derde partij. In dit geval past dit bij de berichten die met [naam] zijn gewisseld.
Vervolgens heeft [medeverdachte] zijn auto verplaatst, waarna verdachte aan kwam lopen, bij [medeverdachte] instapte en een straat verder al weer uitstapte. Dit is volgens de verbalisanten ook bij hen ambtshalve bekend als een gebruikelijke gang van zaken bij de overdracht van illegale goederen. Daarna gaf verdachte een tas met als inhoud een contant geldbedrag van € 86.000,- aan [medeverdachte] .
In de kofferbak van verdachte is tot slot, ingepakt in vuilniszakken en die weer in twee tassen, in totaal meer dan 6 kilo heroïne aangetroffen.
De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij dacht dat het om illegale medicijnen ging. Die verklaring, die verdachte voor het eerst ter zitting gaf, vindt, anders dan zijn verklaringen bij de politie, geen steun in het dossier, komt lange tijd na de verhoren bij de politie en valt op geen enkele manier te verifiëren. Het verweer dat verdachte mogelijk zou zijn misverstaan tijdens het verhoor, stuit af op het feit dat verdachte in dat verhoor werd bijgestaan door een advocaat, en voor akkoord zijn verklaring heeft ondertekend.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2
De rechtbank stelt vast dat de heroïne in de auto van verdachte is aangetroffen. Het lag op een voor verdachte bereikbare plaats. De politie beschrijft dat verdachte, na de zak (met naar later is gebleken het grote geldbedrag) te hebben overgedragen, een kistje in dezelfde kofferbak plaatste als waar door de politie de tassen met heroïne zijn aangetroffen. De rechtbank is van oordeel, dat verdachte de beschikkingsmacht had over de tassen met heroïne.
Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden rondom de vondst door de politie van de heroïne en de daaraan voorafgaande overdracht van de witte tas met een groot bedrag contant geld, maar ook de verklaring van verdachte dat hij (al) dacht dat het om verdovende middelen zou gaan, in ieder geval om iets illegaals, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bij het aanvaarden van de opdracht en voor de tweede keer bij het uitvoeren daarvan, ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om (hard)drugs zou gaan. Daarmee is de voor bewezenverklaring vereiste opzet gegeven, in voorwaardelijke vorm.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
Ten aanzien van dit feit moet de rechtbank een aantal vragen beantwoorden. De eerste vraag is, of het geld dat verdachte overdroeg aan [medeverdachte] , afkomstig was uit enig misdrijf.
De rechtbank stelt allereerst vast, dat geen van de bewijsmiddelen bewijs oplevert van een specifiek misdrijf. Dat is voor de uiteindelijke bewezenverklaring (en kwalificatie) ook niet nodig; voldoende is dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was.
De rechtbank stelt vast dat het bij de overdracht van de witte tas door verdachte aan [medeverdachte] , ging om een groot bedrag in contanten. Zeker gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden waaronder die overdracht plaatsvond, levert dat een bewijsvermoeden op dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Voor de aanwezigheid, laat staan de herkomst, van dat grote contante geldbedrag heeft verdachte desgevraagd geen verklaring gegeven, laat staan een niet op voorhand onaannemelijke, enigszins verifieerbare verklaring. Het bewijsvermoeden is dus door hem niet ontzenuwd. De conclusie die de rechtbank daaraan verbindt, is dat het niet anders kan dan dat het geld afkomstig is van enig misdrijf.
Dit onderdeel van de tenlastelegging is daarom naar het oordeel van de rechtbank bewezen.
Dan de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij geld vervoerde en overdroeg, dat uit misdrijf afkomstig was. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Ook hier geldt, dat uit de verklaringen van verdachte voortvloeit dat hij dacht (en ook reden had te denken) dat hem werd gevraagd illegale zaken te vervoeren (en ten aanzien van het geld: over te dragen). Dat leidt tot het oordeel, mede gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waarin die overdracht plaatsvond, dat hij, ook als hij, naar hij heeft verklaard, niets heeft gevraagd of geverifieerd, ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het bij de overdracht zou gaan om uit misdrijf afkomstig geld.
Slotsom: bewezenverklaring
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde witwassen.
Bovendien was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met één of meer anderen, waaronder in ieder geval de persoon die verdachte telefonisch heeft aangestuurd. De rechtbank vindt daarom ook het tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank komt daarnaast tot het oordeel dat ook feit 2 is bewezen.
Conclusie
De rechtbank acht feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.