ECLI:NL:RBLIM:2026:6373
Rechtbank Limburg
- Uitspraak
- 1 juli 2026
- Zaaknummer
- ROE 26/1064
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie
Verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep tegen twee opgelegde lasten onder dwangsom vanwege het bouwen in strijd met een verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het niet in zijn macht heeft om de overtredingen te beëindigen. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de dwangsommen niet te hoog zijn en dat de begunstigingstermijn niet te kort is. Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien.
Uitspraak
Procesverloop
3. Met het besluit van 15 september 2025 heeft het college aan verzoeker diverse lasten onder dwangsom opgelegd, waaronder de twee lasten die thans nog in geschil zijn. Met het bestreden besluit van 20 april 2026 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening met een verweerschrift gereageerd.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Wat is de relevante voorgeschiedenis van dit verzoek?
6. Bij besluit van 27 maart 2023 heeft het college aan verzoeker een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een voormalig schoolgebouw tot twee villa’s op de locatie [adres] in Bocholtz. Tijdens een controle op
11 september 2023 is geconstateerd dat in afwijking van deze omgevingsvergunning is gebouwd. Daarbij zijn vier overtredingen vastgesteld:
1) Het doen wijzigen van een voorgevel ten opzichte van de vergunde situatie;
2) Het behouden van een bestaand doorlopend dak en twee pilaren aan de voorzijde van de panden;
3) Het uitbreiden van de woningen aan de achterzijde door deze over twee bouwlagen aan elkaar te verbinden;
4) Het doen oprichten van drie keermuren zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
7. Op 7 november 2023 heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de vastgestelde overtredingen te legaliseren. Deze aanvraag is bij besluit van 15 augustus 2024 buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker niet alle gegevens voor de beoordeling van deze aanvraag had ingediend.
8. Naar aanleiding van de constateringen van de toezichthouder heeft het college op
1 december 2023 aan verzoeker twee lasten onder dwangsom opgelegd. Het gaat om lasten die zien op het behouden van het bestaande doorlopende dak en twee pilaren aan de voorzijde van de panden (1) en het uitbreiden van de woningen aan de achterzijde door deze over twee bouwlagen te verbinden (2). Tegen deze twee lasten heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 2 oktober 2024 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld.
9. Na het verlopen van de begunstigingstermijn heeft een toezichthouder tijdens controles op 24 april 2024 en 15 augustus 2024 geconstateerd dat niet aan de lasten is voldaan en de maximale dwangsommen van € 24.000,- zijn verbeurd.
10. Vervolgens heeft verzoeker op 20 januari 2025 weer een omgevingsvergunning aangevraagd voor de legalisatie van onder andere de verbinding dak en pilaren voorzijde en de verbinding tussen de woningen aan de achterzijde. Deze aanvraag is bij besluit van
17 juli 2025 ook buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker opnieuw niet alle gegevens voor de beoordeling van deze aanvraag had ingediend.
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
11. Bij brief van 13 december 2024 heeft het college aan verzoeker bericht voornemens te zijn tot het opleggen van nieuwe lasten onder dwangsom, omdat de eerder vastgestelde overtredingen niet door verzoeker zijn beëindigd. Een toezichthouder heeft op 5 augustus 2025 een controle op het perceel uitgevoerd. Tijdens die controle zijn zes overtredingen vastgesteld.
12. Het college heeft naar aanleiding van deze controle zes lasten onder dwangsom opgelegd. Deze opgelegde lasten houden in dat verzoeker de volgende zes overtredingen moet beëindigen en beëindigd houden:
het wijzigen van de voorgevel ten opzichte van de vergunde situatie: verspringend gevelbeeld en gevelindeling in strijd met artikel 5.5, tweede lid, onder c, van de Omgevingswet (Ow);
het behouden van het bestaande doorlopende dak en twee pilaren aan de voorzijde van het pand in strijd met artikel 5.5, tweede lid, onder a en c, van de Ow;
het uitbreiden van de woningen aan de achterzijde door deze over twee bouwlagen te verbinden in strijd met artikel 5.5, tweede lid, onder a en c, van de Ow;
het zonder vergunning oprichten van twee keermuren in strijd met artikel 5.1 eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow en artikel 5.1 tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow;
het zonder vergunning oprichten van een erfafscheiding (achtererf) in strijd met artikel 5.1 eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow en artikel 5.1 tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow;
het zonder vergunning op openbaar toegankelijk weg c.q. trottoir plaatsen van isolatie in strijd met artikel 2.1 eerste lid onder c, van de Verordening fysieke leefomgeving 2021.
13. Het college heeft aan het niet beëindigen en beëindigd houden van de overtredingen de volgende dwangsommen verbonden:
last 1: € 1.000,- per week, met een maximum van € 6.000,-;
last 2: € 4.000,- per week, met een maximum van € 24.000,-;
last 3: € 4.000,- per week, met een maximum van € 24.000,-;
last 4: € 7.500,- per week, met een maximum van € 45.000,-;
last 5: € 1.000,- per week, met een maximum van € 5.000,-;
last 6: € 500,- ineens.
Het college heeft aan deze lasten een begunstigingstermijn tot en met 20 december 2025 verbonden.
14. Op 1 oktober 2025 heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisatie van de overtredingen van de lasten 1 tot en met 5.
15. Bij brief van 11 november 2025 heeft verzoeker het college verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college heeft bij besluit van 21 november 2025 dit verzoek afgewezen en ambtshalve de begunstigingstermijn van de lasten 2 en 3 verlengd tot en met 20 maart 2025.
16. Daarna heeft het college bij besluit van 11 december 2025 de lasten 1, 4 en 5 ingetrokken, omdat verzoeker ten aanzien van die lasten een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning van 1 oktober 2025 heeft ingediend en het college bereid is om daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen. Ten aanzien van de overtreding van last 6 heeft het college bij brief van 20 januari 2026 verzoeker bericht dat tijdens een controle op
13 januari 2026 is vastgesteld dat deze overtreding is beëindigd en dus aan de last is voldaan.
17. Vervolgens heeft verzoeker op 5 maart 2026 aan het college gevraagd om de begunstigingstermijn voor de lasten 2 en 3 te verlengen. Het college heeft bij besluit van
19 maart 2026 besloten om uit coulance de begunstigingstermijn van deze lasten te verlengen tot vier weken na de beslissing op bezwaar.
18. Naar aanleiding van het bezwaar van verzoeker tegen de lasten onder dwangsom heeft de bezwaarschriftencommissie aan het college geadviseerd om de lasten onder dwangsom te herroepen en na afhandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning van 1 oktober 2025 een nieuw standpunt in te nemen.
19. In de beslissing op bezwaar heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie niet gevolgd. Volgens het college biedt artikel 5.33a van de Ow expliciet de mogelijkheid om een omgevingsvergunning gedeeltelijk te verlenen en gedeeltelijk te weigeren wanneer slechts enkele activiteiten voldoen aan de toepasselijke beoordelingsregels. Ook volgt uit vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan een last onder dwangsom mag beperken tot die onderdelen waarvoor geen concreet zicht op legalisatie bestaat, wanneer de overtreder zelf een aanvraag heeft ingediend die op (gedeeltelijke) legalisatie ziet. Het college heeft dan ook terecht beoordeeld welke specifieke onderdelen van de aanvraag mogelijk vergunbaar zijn en welke niet. Dit heeft ook geleid tot de intrekking van de lasten 1, 4 en 5. Verder is het college van standpunt dat de bezwaarschriftencommissie een te vergaande toets heeft toegepast door inhoudelijk te beoordelen of de omgevingsvergunning (gedeeltelijk) zou moeten worden verleend.
20. Verzoeker heeft bij e-mail van 29 april 2026 het college verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank in beroep. Daarop heeft college bij besluit van 12 mei 2026 besloten om de begunstigingstermijn niet te verlengen.
21. Verzoeker heeft onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure ingediend en daarbij verzocht om een ordemaatregel te treffen. Bij brief van 13 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om het treffen van een ordemaatregel afgewezen.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
22. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van zo’n spoedeisende situatie dat een beslissing in de hoofdzaak – in dit geval de uitspraak in beroep – niet kan worden afgewacht.
22.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat ten tijde van het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en het onderzoek op zitting niet alle dwangsommen waren verbeurd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit.
Sluit de voorzieningenrechter kort?
23. Als iemand hangende een beroepsprocedure een verzoek om voorlopige voorziening indient, kan de voorzieningenrechter gelijk uitspraak doen op het beroep (kortsluiten) als hij van oordeel is dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
23.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat op zitting door het college is toegelicht dat de eerder aan verzoeker opgelegde lasten onder dwangsom bij besluit van 1 december 2023 identiek zijn aan de onderhavige lasten 2 en 3. Tegen deze eerder opgelegde lasten onder dwangsom loopt een beroepsprocedure bij de rechtbank zoals hiervoor onder 8 ook is overwogen. De voorzieningenrechter acht op voorhand niet uitgesloten dat een uitspraak in het beroep van verzoeker waarin dit verzoek om voorlopige voorziening is gedaan betekenis kan hebben voor de afdoening van het andere aanhangige beroep van verzoeker. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter geen toepassing geven aan artikel 8:86 van de Awb en alleen op het verzoek om een voorlopige voorziening beslissen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.