Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:RBLIM:2026:6423

Rechtbank Limburg

Uitspraak
8 juli 2026
Zaaknummer
ROE 25/2565
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat enkel over de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding. In geschil is of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, dat tot gevolg heeft dat de gemachtigde een (fors) lagere proceskostenvergoeding krijgt (in dit geval voor het indienen van het bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting € 161,74 in plaats van € 1.294,-). Het artikel is niet van toepassing als de gemachtigde kan worden aangemerkt als een “bijzonder geval” (ECLI:NL:HR:2025:46). Om een “bijzonder geval” te kunnen zijn, is het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belang. In deze zaak is de vraag of dat bedrijfsmodel eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Zij is van oordeel dat de gemachtigde met voldoende gegevens heeft onderbouwd dat haar cliënten voor het voeren van de procedure een financieel risico lopen en dat risico niet dusdanig laag is dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Dit betekent dat de gemachtigde een “bijzonder geval” is en de heffingsambtenaar hem ten onrechte heeft gekort op zijn proceskostenvergoeding in bezwaar. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.